In deze civiele zaak betreffende personen- en familierecht stond de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van drie minderjarige kinderen centraal na een scheiding. De moeder vorderde in principaal hoger beroep dat de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij haar werd vastgesteld, terwijl de vader in incidenteel hoger beroep de hoofdverblijfplaats van één kind bij hem wilde bepalen.
Het hof handhaafde eerdere tussenbeschikkingen en nam kennis van de standpunten van partijen, de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming. De moeder had vooruitgang geboekt in haar persoonlijke situatie en hulpverlening, terwijl de vader minder medewerking verleende. De vader had geen bezwaar tegen de hoofdverblijfplaats bij de moeder, mits zij over een geschikte woning beschikte.
Het hof oordeelde dat het in het belang van de kinderen was om de hoofdverblijfplaats van twee kinderen bij de moeder te bepalen en de hoofdverblijfplaats van het derde kind bij de moeder te handhaven. De zorgregeling werd aangepast met een tijdelijke regeling tot de moeder een geschikte woning heeft, en een definitieve regeling daarna. Tevens werden contactmomenten tussen ouders en kinderen vastgelegd om spanningen te verminderen.
De beschikking vernietigde de eerdere beslissing voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van twee kinderen en de zorgverdeling, stelde deze opnieuw vast en wees het overige af. De hoofdverblijfplaats van het derde kind bleef ongewijzigd. De uitspraak werd op 3 juni 2025 door het hof Amsterdam gedaan.