De betrokkene, een rechtspersoon, werd veroordeeld wegens opzettelijke overtreding van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer door het onrechtmatig afvoeren van gevaarlijke afvalstof (MONG) aan een andere partij. In eerste aanleg werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €391.614,68, gebaseerd op verkoopopbrengsten en kostenbesparing.
In hoger beroep werd dit bedrag aanzienlijk verlaagd tot €13.194,50, omdat de verkoop aan een Belgisch bedrijf een reëel legaal alternatief was. Dit lagere bedrag weerspiegelt het verschil in opbrengst tussen de illegale en legale afzet. Het hof vernietigde het vonnis van eerste aanleg om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep met bijna tweeënhalf jaar was overschreden. Deze overschrijding werd echter reeds in de strafzaak verdisconteerd, zodat het hof volstond met een constatering hiervan in de ontnemingszaak. De betrokkene werd verplicht tot betaling van €13.194,50 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.