ECLI:NL:GHAMS:2025:1848
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. Koolen - Zwijnenburg
- M.F.J.M. de Werd
- M. Senden
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid betrokkene in hoger beroep ontnemingsvordering Meststoffenwet
Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg betaling van €138.011,67 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van artikel 5 van Pro de Meststoffenwet door een rechtspersoon. De rechtbank legde een betalingsverplichting van €69.005,00 op.
Betrokkene stelde hoger beroep in tegen het ontnemingsvonnis. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 10 juni 2025 gaf betrokkene te kennen zijn bezwaren tegen het vonnis niet langer te willen handhaven. Het hof constateerde dat er geen rechtens te respecteren belang meer bestond bij verdere behandeling.
Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaarde het hof betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het door de advocaat-generaal aangevoerde belang, mede gezien de matiging van de betalingsverplichting door de rechtbank, leidde niet tot een ander oordeel. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 10 juni 2025.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het ontnemingsvonnis.