Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep
Beslissing
nietig.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 3 juli 2025 uitspraak gedaan over de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep. De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024. De verdachte was niet in Nederland gedetineerd of ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), en er was geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend. Wel was een adres in het buitenland bekend, maar dit werd op verschillende manieren vermeld in het dossier.
De dagvaarding in hoger beroep was rechtstreeks naar een buitenlands adres gestuurd, maar deze werd retour gezonden met de mededeling dat het adres niet correct was. De advocaat-generaal stelde dat de betekening niet rechtsgeldig had plaatsgevonden, en de raadsman van de verdachte kon niet bevestigen dat de verdachte op de hoogte was van de zitting. Het hof oordeelde dat de dagvaarding niet op de wettelijk voorgeschreven wijze was betekend.
Op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient bij een verdachte die niet in Nederland verblijft en niet in de BRP staat ingeschreven, de dagvaarding in hoger beroep te worden betekend via toezending aan het laatst bekende buitenlandse adres of via bevoegde buitenlandse autoriteiten met inachtneming van eventuele verdragen. Nu de dagvaarding retour was gekomen en de verdachte niet was verschenen, verklaarde het hof de dagvaarding nietig.
Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens onjuiste betekening naar een buitenlands adres.