Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de kinderalimentatie voor een minderjarige is gewijzigd van €400 naar €313 per maand. De man, wonende in Spanje, verzocht om een lagere alimentatie van €131, terwijl de vrouw handhaving van het oorspronkelijke bedrag wenste.
Het hof bevestigde de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid en stelde vast dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking waren gewijzigd, waardoor een herbeoordeling noodzakelijk was. De behoefte van het kind werd vastgesteld rekening houdend met het feit dat het kind opgroeit met een jongmeerderjarige broer, en ook de kosten van twee jongere kinderen van de man in Spanje werden betrokken, met toepassing van een woonlandfactor van 26% vanwege lagere kosten in Spanje.
De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn netto besteedbaar inkomen, waarbij rekening werd gehouden met zijn deeltijdarbeid bij Greenpeace en de mogelijkheid om extra werk te verrichten. De draagkracht van zijn echtgenote en de vrouw werd eveneens vastgesteld. De verdeling van de kosten werd naar rato van de behoefte van de kinderen gemaakt. Het hof bepaalde een aangepaste kinderalimentatie van €382, €359 en €383 per maand voor drie verschillende perioden.
Ten slotte oordeelde het hof dat de vrouw niet verplicht is om te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, gezien haar lage inkomen en het aannemelijke gebruik van die middelen voor het kind. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.