ECLI:NL:GHAMS:2025:1979

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
200.342.289/01 en 200.342.291/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake zorgregeling, kinderalimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep dat is ingesteld door de vrouw tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2024, waarin een zorgregeling, kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn vastgesteld. De vrouw is van mening dat de zorgregeling niet in het belang van de kinderen is en verzoekt om aanpassing van de regeling, zodat de kinderen zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven. De man verzoekt op zijn beurt om een lagere kinderalimentatie en heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling. Het hof heeft de zaak behandeld en op 29 juli 2025 uitspraak gedaan. Het hof heeft de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw kinderalimentatie moet betalen, en dat de zorgregeling voor [kind 3] wordt vastgesteld op iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur. Daarnaast is er een beslissing genomen over de vermogensrechtelijke afwikkeling, waarbij de man is veroordeeld om een cheque van € 10.000,- aan de vrouw te geven en de vrouw om € 162,71 aan de man te betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.342.289/01 en 200.342.291/01
zaaknummers rechtbank: C/13/731791/FA RK 23-2142 en C/13/741564 / FA RK 23-7238
beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2025 inzake
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.M. Rengelink te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de jongmeerderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] ,
- de minderjarige [kind 2] , hierna: [kind 2] ,
- de minderjarige [kind 3] , hierna: [kind 3] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling, de kinderalimentatie voor [kind 1] (18 jaar), [kind 2] (16 jaar) en [kind 3] (12 jaar) en de vermogensrechtelijke afwikkeling.
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een echtscheidingsbeschikking van 8 maart 2024 (hierna: de bestreden beschikking) een zorgregeling vastgesteld, een door de man aan de vrouw met ingang van 8 maart 2024 te betalen kinderalimentatie van € 175,- per maand vastgesteld en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gelast. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij wil dat [kind 2] en [kind 3] zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven en is van mening dat een hogere kinderalimentatie moet worden vastgesteld. De vrouw heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling. De man is het ook niet eens met de bestreden beschikking. Hij verzoekt (in ieder geval voor [kind 3] ) een zorgregeling vast te stellen, waarbij zij de ene week van vrijdag 17.00 tot 21.00 uur en de andere week van vrijdag 17.00 tot zaterdag 12.00 uur bij hem verblijft. Verder is de man van mening dat een lagere kinderalimentatie moet worden vastgesteld. Hij heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 8 juni 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij heeft op 26 augustus 2024 de bij het beroepschrift ontbrekende stukken van de procedure bij de rechtbank overgelegd.
2.2
De man heeft op 18 september 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 10 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 25 februari 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de man van 11 april 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de man van 17 april 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 23 april 2025 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 23 april 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.
Mr. Rengelink heeft ter zitting verklaard dat zij door de jongmeerderjarige [kind 1] is gemachtigd om voor en namens haar op te treden voor zover het in de onderhavige procedure de bijdrage in haar levensonderhoud en studie betreft.
2.6
De oudste raadsheer heeft na de zitting, op 11 juni 2025, met [kind 2] en [kind 3] gesproken, in het bijzijn van de griffier. De advocaten van partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de zakelijke weergave van dit gesprek te reageren. De advocaat van de man heeft bij bericht van 30 juni 2025, met bijlagen, gereageerd, de advocaat van de vrouw bij bericht van 3 juli 2025.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn getrouwd geweest van [datum] 2006 tot 26 juni 2024.
3.2
Partijen hadden na het huwelijk hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland.
Partijen hebben nu de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.3
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren op [datum] 2007 te [plaats] ;
- [kind 2] , geboren op [datum] 2008 te [plaats] ;
- [kind 3] , geboren op [datum] 2012 te [plaats] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
3.4
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank van 16 april 2025 is het, in de bestreden beschikking pro forma aangehouden, verzoek van de man met betrekking tot de vaststelling van een vakantie- en feestdagenregeling afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure is besproken dat het belangrijk is dat er weer contact komt tussen de man en de kinderen. De vrouw en de man hebben afgesproken dat vanaf dat moment totdat het hof uitspraak heeft gedaan [kind 3] en [kind 2] iedere vrijdag bij de man zullen verblijven van 17.00 uur tot 21.00 uur, waar zij ook samen zullen eten. De man haalt de kinderen bij de vrouw op en brengt hen weer terug.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld, waarbij [kind 3] en [kind 2] de ene week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur omgang met de man hebben en de andere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven. De man haalt de kinderen en brengt de kinderen terug bij de vrouw. Verder is een door de man aan de vrouw met ingang van 8 maart 2024 te betalen kinderalimentatie van € 175,- per maand vastgesteld. Tot slot is de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gelast.
Principaal hoger beroep
4.2
De vrouw verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, na wijziging van haar verzoek, te bepalen dat:
- haar verzoek betreffende de zorgregeling alsnog wordt toegewezen en dat wordt bepaald dat [kind 3] en [kind 2] iedere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt van school en naar de vrouw terugbrengt, welk verzoek de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft aangepast in die zin dat [kind 2] en [kind 3] zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven;
- haar verzoek met betrekking tot de vaststelling van de kinderalimentatie alsnog wordt toegewezen en dat wordt bepaald dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderalimentatie van € 310,- per maand dient te voldoen.
- haar verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt toegewezen;
- en dat de man wordt bevolen om volledige inzage te geven in zijn bankafschriften over de periode van 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023.
4.3
De man vraagt om de verzoeken van de vrouw in hoger beroep (inclusief het verzoek tot afgifte van een bevel tot inzage op de voet van artikel 843a Rv) niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Incidenteel hoger beroep
4.4
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap:
- de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 8 maart 2024 te bepalen op € 25,- per kind per maand;
- bevel af te geven aan de vrouw om afschriften te verstrekken van rekeningafschriften van alle bankrekeningen die op haar naam staan en onder haar beheer vallen, waaronder in elk geval de volgende rekeningen:
* betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ;
* spaarrekening (nummer onbekend);
* jongerenrekening op naam van [kind 1] [rekeningnummer 2] ;
* ING Groei groter rekening op naam van [kind 3] [rekeningnummer 3] ,
en afschrift te verstrekken dan wel inzage te geven in het eigendomsbewijs van het huis dat in het bezit is van haar familie in [plaats B] , Marokko, waarvan de man gesteld heeft dat de vrouw mede-eigenaar is,
een en ander op de voet van artikel 843a Rv;
- de verdeling van de op 30 maart 2023 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te gelasten of vast te stellen, zoals door de man voorgesteld en omschreven onder 28 t/m 75 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met inachtneming en aanvulling van de informatie die de vrouw nog in het geding behoort te brengen, dan (het hof leest: wel) op een door het hof te bepalen wijze.
Bij wijze van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de man, indien de voorwaarde zich verwerkelijkt dat het hof het verzoek tot afgifte van een bevel tot inzage op de voet van artikel 843a Rv (het hof leest: toewijst), zoals door de vrouw verzocht, het hof een gelijkwaardig bevel aan de vrouw (het hof leest: afgeeft) om inzage te geven in het verloop van alle bankrekeningen die op haar naam en onder haar beheer vallen, waaronder in elk geval de rekeningen met nummers:
* betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ;
* spaarrekening (nummer onbekend);
* jongerenrekening op naam van [kind 1] [rekeningnummer 2] ;
* ING Groei groter rekening op naam van [kind 3] [rekeningnummer 3] ;
gedurende de loop van het huwelijk, dan wel een gelijke termijn als de door de vrouw verzochte termijn van de laatste vijf jaren, dan wel een door het hof juist geachte termijn.
4.5
De vrouw vraagt om de verzoeken van de man betreffende de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af te wijzen, met veroordeling van de man om aan haar te voldoen een bedrag van € 10.000,-, met bevel aan de man om dit bedrag binnen drie dagen na de door het hof af te geven beschikking aan de vrouw over te maken. Verder verzoekt de vrouw de voorwaardelijke verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep met betrekking tot het verschaffen van inzage in de betaal-, spaar-, en jongerenrekeningen af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5-I Algemeen
5.1
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp gezamenlijk bespreken.
5.2
Het hof stelt vast dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken van partijen met betrekking tot de zorgregeling, de kinderalimentatie en de verdeling kennis te nemen. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Nederlandse recht wordt toegepast ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie en dat vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking Marokkaans recht van toepassing is en Nederlands recht in ieder geval van toepassing is geworden in 2016, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5-II De zorgregeling
De reguliere zorgregeling voor de minderjarige kinderen [kind 2] en [kind 3]
5.3
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de huidige regeling, waarbij [kind 3] en [kind 2] de ene week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur omgang met de man hebben en de andere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven, niet in het belang van de kinderen is. Hoewel de vrouw het contact van de kinderen met de vader probeert te stimuleren, verlopen de omgangsmomenten niet goed. De kinderen maken geen huiswerk in het weekend dat zij bij de man zijn. [kind 2] had al een leerachterstand vanwege een periode van thuisonderwijs. [kind 2] haalt vaak onvoldoendes voor toetsen nadat hij het weekend ervoor bij de man heeft verbleven. De kinderen zitten op de bank en spelen op hun telefoon. De man komt de zorgregeling alleen na wanneer het hem uitkomt. De man brengt de kinderen veel eerder thuis dan is afgesproken. De kinderen vinden het niet leuk dat zij bij oma (vaderszijde) moeten logeren vanwege gebrek aan (leef)ruimte in de woning van de man. Door de omgang iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur plaats te laten vinden, hoopt de vrouw dat de man en de kinderen een band kunnen opbouwen en versterken. Zodra de verzochte regeling goed verloopt en het weer goed gaat met de kinderen op school, kan de zorgregeling worden uitgebreid. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat de kinderen zich van de man afkeren en afstand tot hem ervaren doordat de man tijdens het huwelijk van partijen nooit wat met de kinderen heeft ondernomen. Als de man af en toe voor de kinderen zorgt, heeft de vrouw wat tijd voor zichzelf. [kind 2] heeft behoefte aan contact met zijn vader, zodat hij naar de man zal blijven gaan. Omdat [kind 3] weerstand heeft tegen contact met de man, verzoekt de vrouw het contact telkens met een uur per keer op te bouwen, voor zover het hof een zorgregeling zal bepalen. Zij heeft haar verzoek ter zitting in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat zij nu verzoekt om vast te leggen dat de kinderen zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven.
5.4
De man voert verweer. In de bestreden beschikking zijn de door partijen ter zitting gemaakte afspraken vastgelegd. De zorgregeling verloopt niet goed. Sinds de bestreden beschikking heeft de man [kind 2] met enige regelmaat en [kind 3] af en toe gezien. De man heeft nu geen contact meer met [kind 3] . De vrouw wil de kinderen bij de man weghouden. De vrouw wil niets meer met de man en zijn familie te maken hebben, zij laat zich negatief uit over de man tegenover de kinderen en zij betrekt hen bij de problemen die tussen hen als ouders spelen. De man heeft gedurende het huwelijk het merendeel van de zorgtaken uitgevoerd. De vrouw heeft haar diskwalificaties van de man als ouder niet onderbouwd. De korte periode waarin de kinderen bij de man verblijven kan niet alleen maar kan worden ingevuld met zaken zoals het maken van huiswerk. Achterstanden van de kinderen op school kunnen niet aan de man worden toegeschreven; de kinderen verblijven het leeuwendeel van de tijd bij de vrouw. Partijen zullen in onderling overleg afspraken moeten maken over de opvoeding, waaronder de tijdstippen waarop de kinderen huiswerk maken en hoe zij omgaan met telefoon- en beeldschermgebruik. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij geen tot weinig contact hebben met hun vader. Overnachten bij de niet-verzorgende ouder is van groot belang voor de band tussen de kinderen en die ouder. De man heeft een eigen woning, die zo is ingericht dat de kinderen daar kunnen overnachten. Ter zitting in hoger beroep heeft de man herhaald dat hij tijdens het huwelijk betrokken is geweest bij de zorg voor de kinderen en hij heeft toegevoegd dat de vrouw niet wil dat de kinderen bij hem overnachten. De man wil dat de kinderen met plezier naar hem toekomen. Het is niet aan de kinderen om de verantwoordelijkheid voor omgang met hun vader te dragen, dat kunnen zij niet. Hij verzoekt (in ieder geval voor [kind 3] ) een zorgregeling vast te stellen, waarbij zij de ene week van vrijdag 17.00 tot 21.00 uur en de andere week van vrijdag 17.00 tot zaterdag 12.00 uur bij hem verblijft.
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de ouders en de kinderen belangrijk voor elkaar zijn. Het is belangrijk dat ieder van de ouders zich tegenover de kinderen niet over de andere ouder uitlaat. Gelet op de leeftijd van [kind 2] adviseert de raad om voor hem geen zorgregeling vast te stellen. Hij moet, gelet op zijn leeftijd, de gelegenheid krijgen om zich een zelfstandig beeld van beide ouders te vormen in voorbereiding op zijn jongvolwassenheid. Daarvoor is contact met zijn vader nodig, maar door de rechter vastgesteld contact is niet noodzakelijk. Als hij naar zijn vader wil gaan, moet hij daarvoor de ruimte krijgen. Als [kind 3] zich bij haar vader welkom voelt en zij bij hem haar eigen bezigheden kan hebben, dingen die zij belangrijk vindt, is het voor haar leuker om naar haar vader te gaan. Als de man een goede invulling aan de omgang met [kind 3] geeft, kan zij mogelijk ook bij de man overnachten. Omdat het vastleggen van een overnachting druk kan geven, adviseert de raad om alleen omgang op de vrijdagavond vast te leggen.
5.6
Het hof overweegt als volgt. [kind 2] en [kind 3] hebben in de procedure die tot de beschikking van 16 april 2025 heeft geleid op 13 januari 2025 met de kinderrechter gesproken. De kinderen hebben kort gezegd aan de kinderrechter verteld dat hun vader weinig interesse in hen toont en dat hij, als ze contact met hem hebben, vooral negatief praat over hun moeder en haar familie. Dat vinden ze niet leuk. Ze willen wel af en toe leuke dingen met hem doen, maar niet verplicht worden om naar hem toe te gaan. Hun moeder praat niet negatief over hun vader en zij wil juist dat ze naar hem toegaan. In de onderhavige procedure hebben de kinderen tijdens het gesprek met de oudste raadsheer volhard in dit standpunt. [kind 2] heeft verklaard dat hij naar zijn vader wil gaan op momenten die hem goed uitkomen, dus niet op een vaste dag en tijdstip. Hij gaat liever niet op vrijdag naar zijn vader, want in het weekend wil hij graag andere dingen doen. [kind 3] heeft verklaard dat zij zich niet heeft gehouden aan de afspraak om bij haar vader te gaan avondeten. Zij wil graag eenmaal in de paar maanden bij haar vader zijn. Als zij naar haar vader moet gaan, wil zij dat graag samen met haar broer doen, zodat zij iemand heeft om mee te spelen en te praten.
Naar het oordeel van het hof dient, gezien de leeftijd van [kind 2] (16 jaar), aan zijn mening een doorslaggevend belang te worden gehecht. Het hof neemt in aanmerking dat hij zijn vader niet op vaste momenten wil zien, maar naar hem toe wil gaan wanneer hij dat wil. Ook acht het hof van belang dat de man niet heeft weersproken dat [kind 2] het contact met zijn vader zal onderhouden, omdat [kind 2] daaraan zelf behoefte heeft. Hij kan dan in overleg met de man zelf bepalen hoe vaak en wanneer hij naar zijn vader zal gaan. Gelet op het voorgaande zal het hof geen zorgregeling voor [kind 2] vaststellen.
Het hof vindt het belangrijk dat er (ook) contact is tussen [kind 3] en haar vader, zelfs al heeft [kind 3] daartegen op dit moment (enige) weerstand. Het hof is met de raad van oordeel dat het voor [kind 3] ’s ontwikkeling van belang is dat dit contact er is. [kind 3] is twaalf jaar en kan gezien haar leeftijd en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders niet zelf bepalen hoe vaak, wanneer en hoe lang zij bij haar vader zal zijn. Het hof is met de raad van oordeel dat het in haar belang is om iedere vrijdagavond omgang met haar vader te hebben. Het hof zoekt aansluiting bij de op 14 april 2025 door de ouders gemaakte afspraak in de procedure die tot de beschikking van 16 april 2025 heeft geleid en zal bepalen dat [kind 3] iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man zal verblijven, waar zij ook samen zullen eten. De man haalt [kind 3] bij de vrouw op en brengt haar weer terug. Indien [kind 3] onverhoopt weerstand tegen het contact met haar vader blijft ervaren kan de hulpverlening desgewenst om ondersteuning worden gevraagd. Het opbouwen van het contact met de man vraagt van de vrouw dat zij [kind 3] blijft steunen en stimuleren. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen als hierna vermeld.
De vakantieregeling
5.7
Omdat geen van partijen in de onderhavige procedure een verzoek heeft ingediend strekkende tot het vaststellen van een vakantieregeling, kan het hof daarover geen beslissing geven.
5-III Kinderalimentatie
5.8
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Ingangsdatum
5.9
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de vader te betalen gewijzigde kinderalimentatie bepaald op de datum van de bestreden beschikking, dit is 8 maart 2024. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 30 maart 2023, als ingangsdatum moet worden gehanteerd, omdat de man vanaf dat moment op de hoogte was van zijn verplichting om kinderalimentatie te voldoen. De man stelt dat hij in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking in een zeer moeilijke financiële positie verkeerde en dat hij de financiële middelen mist om met terugwerkende kracht aan de alimentatieverplichting te voldoen.
Het hof ziet geen reden om van een andere ingangsdatum uit te gaan dan de rechtbank heeft gedaan. Voorop staat dat de wet de rechter bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting grote vrijheid laat. De vrouw heeft in haar echtscheidingsverzoek van 30 maart 2023 verzocht om bij wijze van nevenvoorziening een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te bepalen, zonder daarbij een ingangsdatum te verzoeken. Daarom ligt de datum waarop de rechter beslist als ingangsdatum het meest voor de hand. Het hof neemt 8 maart 2024 dus als ingangsdatum.
Behoefte
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een behoefte van de kinderen van € 1.066,- per maand (in 2022), welke behoefte geïndexeerd per 1 januari 2024 € 1.171,- per maand bedraagt en per 1 januari 2025 € 1.247,- per maand. Het hof zal daarom eveneens van deze behoefte uitgaan.
Draagkracht van de man en de vrouw
5.11
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien (artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Daarvoor maakt het hof gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van elke ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt het hof welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
5.12
Bij een netto besteedbaar inkomen dat lager is dan € 2.065,- per maand in 2024 en € 2.125,- in 2025 maakt het hof gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin per inkomenscategorie vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld.
Bij een NBI dat hoger is dan € 2.065,- per maand in 2024 en € 2.125,- in 2025 maakt het hof gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2024 is dat een bedrag van € 1.270,- per maand en in 2025 een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)] in 2024 en 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] in 2025.
Gelet op wat hiervoor onder 5.9 over de ingangsdatum is overwogen, zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 8 maart 2024.
5.13
Na de ingangsdatum van 8 maart 2024 hebben de volgende veranderingen invloed op de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Het salaris van de man is per 1 augustus 2024 gestegen. Verder is [kind 3] in 2024 twaalf jaar geworden, waardoor de vrouw vanaf 1 januari 2025 geen aanspraak meer kan maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw ontvangt vanaf 1 januari 2025 een hoger salaris. Het salaris van de man is per 1 maart 2025 nogmaals gestegen. Het hof zal de kinderalimentatie daarom voor vier periodes berekenen: de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024, de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025, de periode van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 en de periode vanaf 1 maart 2025.
Draagkracht van de man
Inkomen man
5.14
In de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 gaat het hof uit van een salaris van de man van € 2.466,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 138,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand en de inhouding WGA ERD van € 7,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.271,- per maand.
In de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 neemt het hof een salaris van € 2.638,- bruto per maand in aanmerking, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 138,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 7,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.380,- per maand.
In de periode van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 neemt het hof een salaris van € 2.638,- bruto per maand in aanmerking, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 150,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 7,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 8,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.401,- per maand.
Vanaf 1 maart 2025 houdt het hof rekening met een salaris van € 2.728,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 150,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 8,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.459,- per maand.
Woonlasten man
5.15
De man stelt zich op het standpunt dat met zijn werkelijke woonlast, die hoger is dan het woonbudget, rekening dient te worden gehouden. Hij voert in dit verband de volgende lasten op: de huur van € 837,- per maand inclusief servicekosten (de netto huurlast is € 821,- per maand, de huurtoeslag € 207,- per maand), Waternet € 140,- per jaar (€ 12,- per maand), energiekosten € 142,- per maand, Waternet € 25,- per maand, gemeentelijke belastingen € 350,- per jaar (€ 29,- per maand). Gelet op de plicht en het recht van de vader om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden (artikel 2:247 BW) is de man gehouden om in de buurt van de kinderen te blijven wonen. Onverkorte toepassing van het woonbudget voor een woning in [plaats] , waarvan de huur hoger is dan in de rest van het land, is volgens de man niet reëel. De vrouw voert hiertegen verweer.
Het hof overweegt als volgt. Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan volgens de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak met die extra lasten rekening worden gehouden als kan worden vastgesteld dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. In dit geval ziet het hof geen aanleiding om wat de woonlasten betreft af te wijken van de aanbeveling om met een woonbudget (0,3 van het NBI) rekening te houden en uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man. De huur van de man bedraagt € 836,73 per maand, terwijl zijn huurtoeslag € 207,- per maand bedraagt. De netto huur van de man bedraagt daarmee € 629,73 per maand. Dat is minder dan het woonbudget van € 681,- per maand (van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024), € 714,- per maand (van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025), € 720,- per maand (van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025) respectievelijk € 738,- per maand (vanaf 1 maart 2025). Wat betreft de door de man opgevoerde kosten van gas, water en licht geldt dat deze in beginsel in de bijstandsnorm zijn inbegrepen, en dat de man niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat deze meer bedragen dan hij uit de bijstandsnorm en/of het woonbudget kan voldoen.
Schulden
5.16
De man stelt dat hij tot nu toe niet in staat gebleken om zijn lasten en de kinderalimentatie te voldoen, waardoor er een achterstand is ontstaan en het LBIO is ingeschakeld. De man komt maandelijks € 250,- tekort. De man heeft geld moeten lenen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, € 2.000,- bij een collega en € 3.000,- bij zijn zus. De man heeft een aflossingsverplichting van € 100,­ respectievelijk € 150,- per maand. Volgens de man dienen deze lasten als niet-vermijdbaar en niet-verwijtbaar in mindering te worden gebracht op zijn draagkracht voor de komende 20 maanden.
De vrouw betwist de leningen. Zij voert onder meer aan dat de twee verklaringen pas achteraf zijn opgesteld en niet zijn ondertekend. De vrouw vindt de ingebrachte verklaringen onvoldoende om tot bewijs te kunnen dienen, terwijl geen bewijs is overgelegd dat de bedragen daadwerkelijk aan de man zijn verstrekt en met welk doel. De financiële problemen die de man stelt, zijn niet onderbouwd, waarbij de vrouw aanvoert dat de man spaargeld heeft in Marokko. Als er al leningen zijn aangegaan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat deze schulden verwijtbaar en vermijdbaar zijn, van een noodzaak tot het aangaan ervan is niet gebleken en uit niets blijkt dat op de leningen wordt afgelost. De vrouw stelt zich op het standpunt dat met de door de man opgevoerde schulden geen rekening moet worden gehouden.
Omdat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, het bestaan van de leningen, de noodzaak daartoe en de invloed daarvan op zijn draagkracht niet voldoende heeft onderbouwd, zal het hof hiermee geen rekening houden.
5.17
Uitgaande van de hiervoor vermelde gegevens bedraagt de draagkracht van de man volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule in de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 224,- per maand, van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 277,- per maand, van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 € 260,- per maand en vanaf 1 maart 2025 € 288,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
5.18
Voor het inkomen van de vrouw in de periode van 8 maart 2024 tot 1 januari 2025 gaat het hof uit van de salarisspecificaties van [X] , waarin een salaris van € 1.963,- bruto per maand is vermeld, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt ingehouden: PAWW wn van € 2,- per maand, premie ouderdomspensioen van € 116,- per maand en de premie gediff. WGA wn van € 13,- per maand. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en het kindgebonden budget. In deze periode wordt ook met de inkomensafhankelijke combinatiekorting rekening gehouden. Het NBI van de vrouw is in de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 3.023,- per maand en van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 3.100,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 592,- per maand respectievelijk € 630,- per maand.
Vanaf 1 januari 2025 bedraagt het salaris van de vrouw € 2.110,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op dit salaris wordt ingehouden: PAWW wn van € 2,- per maand, de premie ouderdomspensioen van € 127,- per maand en de premie gediff. WGA wn van € 14,- per maand. Omdat [kind 3] in 2024 twaalf jaar is geworden, kan de vrouw vanaf 1 januari 2025 geen aanspraak meer maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw is vanaf 1 januari 2025 € 2.882,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 495,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
5.19
De ouders hebben samen een draagkracht:
- van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 van € 816,- per maand;
- van 1 augustus 2024 1 januari 2025 van € 907,- per maand;
- van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 van € 755,- per maand;
- vanaf 1 maart 2025 van € 783,- per maand,
terwijl de kosten van de kinderen € 1.171,- per maand zijn (in 2024) respectievelijk € 1.247,- per maand (in 2025). Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man moet bijdragen in de kosten van de kinderen:
- van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 met € 224,- per maand (€ 75,- per kind per maand);
- van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 met € 277,- per maand (€ 92,- per kind per maand);
- van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 met € 260,- per maand (€ 87,- per kind per maand);
- vanaf 1 maart 2025 met € 288,- per maand (€ 96,- per kind per maand).
Zorgkorting
5.2
Tot slot is de zorgkorting aan de orde. De achtergrond van de zorgkorting is dat de ouder waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft voor een deel niet in de verblijfskosten van het kind voorziet, omdat de andere ouder daarin voorziet in de periode dat het kind bij die andere ouder verblijft. Om die reden dalen de verblijfskosten die de in hoofdzaak verzorgende ouder ten behoeve van het kind heeft. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Omdat de vader gedurende minder dan 1 dag per week de zorg heeft voor [kind 2] en [kind 3] , geldt voor hen een percentage van 5%. Dit komt neer op een bedrag van (0,05 x € 1.117,- : 3=) € 19,- per kind per maand in 2024 en (0,05 x € 1.247,- :3 =) € 21,- per kind per maand in 2025.
Gebleken is dat er al geruime tijd geen omgang plaatsvindt tussen de man en [kind 1] . Inmiddels heeft zij de meerderjarige leeftijd bereikt. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting voor [kind 1] .
5.21
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de ouders gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht (meer dan) twee keer zo groot is als de zorgkorting, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bijdragen.
Conclusie
5.22
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man aan de vrouw moet betalen:
- van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 224,- per maand (€ 75,- per kind per maand);
- van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 277,- per maand (€ 92,- per kind per maand);
- van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 € 260,- per maand (€ 87,- per kind per maand);
- vanaf 1 maart 2025 € 288,- per maand (€ 96,- per kind per maand).
5.23
Het hof heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI en de draagkracht van de man en de vrouw. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
5.24
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen als hierna vermeld.
5.IV Vermogensrechtelijke afwikkeling
Algemeen
5.25
Tussen partijen staat niet ter discussie dat tussen hen vanaf 2016 een wettelijke gemeenschap van goederen naar Nederlands recht is ontstaan, en dat daarvóór op hun huwelijksvermogensregime het Marokkaanse recht van toepassing was. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat als peildatum voor de samenstelling van de wettelijke gemeenschap van goederen 30 maart 2023 geldt, en dat als peildatum voor de waardering als hoofdregel de datum van feitelijke verdeling geldt, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.
5.26
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.29 van de bestreden beschikking aangegeven welke vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap besproken dienden te worden. Een aantal van die vermogensbestanddelen staat in hoger beroep nog ter discussie.
Bankrekeningen en verzoek overleggen bankafschriften
5.27
De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte de man niet heeft veroordeeld om de bankafschriften van zijn bankrekeningen over de periode vanaf 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 in geding te brengen. Volgens de vrouw heeft de man gedurende hun huwelijk geld van zijn bankrekeningen weggesluisd. De vrouw heeft in dat kader een beroep gedaan op artikel 3:194 BW. Als blijkt dat de man geld heeft weggesluisd, heeft hij zijn aandeel daarin aan de vrouw verbeurd. In zijn incidentele hoger beroep heeft ook de man grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de verdeling van de bankrekeningen. Volgens de man heeft juist de vrouw gedurende het huwelijk nimmer inzage in haar financiën gegeven. De man stelt dat de vrouw zonder toestemming of overleg geld van partijen op de rekening van de kinderen heeft gestort, en dit geld aldus aan de gemeenschap heeft onttrokken. Het saldo van de bankrekeningen van de kinderen dient dan ook in de verdeling te worden meegenomen. Bovendien heeft de man een beroep gedaan op artikel 1:88 BW. Er is geld zonder zijn toestemming naar de bankrekening(en) van de kinderen overgemaakt, en de man heeft de vernietiging van de daaraan ten grondslag liggende rechtshandeling ingeroepen. De vrouw zal verder in ieder geval inzage moeten geven in de saldi van haar bankrekeningen per 30 maart 2023. Indien en voor zover de man wordt bevolen zijn bankafschriften over de periode vanaf 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 in geding te brengen, moet volgens de man ook de vrouw daartoe worden veroordeeld.
5.28
Het hof oordeelt als volgt. De man heeft onder punt 52 van zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, een opsomming gegeven van de bankrekeningen die volgens hem per peildatum bestonden, en die volgens hem in de afwikkeling tussen partijen betrokken moeten worden. Deze opsomming luidt, met verwijzing naar producties, als volgt:
“52. De man stelt dat op de peildatum de volgende rekeningen bekend zijn:
Op naam van de man:
a. Betaalrekening van de man met nummer [rekeningnummer 4] (saldo op 30 maart2023 (peildatum):€ 1.242,76)(productie 16)
b. De daaraan gekoppelde spaarrekening [rekeningnummer 5] met saldo op de peildatum 0-,;
vide(vide productie 6):
c. Banque Populaire (Marokko) op naam van de man met nummer [rekeningnummer 6]
(Saldo op 16 augustus 2023: € 18.371,07 (MDH 199.685,55, wisselkoers 0,092)
(productie 17)
Op naam van de vrouw:
d. Betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1]
(Saldo op 1 januari 2021 € 331,-)(productie 18)
e. Spaarrekening (nummer onbekend)
f. Jongerenrekening op naam van [kind 1] [rekeningnummer 2]
(Saldo op 1 januari 2021: € 197,-)(productie 18)
g. ING Groei groter rekening op naam van [kind 3] [rekeningnummer 3]
(Saldo op 1 januari 2021: € 9.076)(productie 18)”.
5.29
Het hof zal deze door de man genoemde bankrekeningen hierna bespreken. Daarna zal het hof beslissen over de verzoeken van partijen om de ander te verplichten de bankafschriften van zijn/haar bankrekeningen in geding te brengen over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023.
Betaalrekening partijen (a. en d.)
5.3
Het hof constateert dat partijen het erover eens zijn dat aan ieder van partijen de op haar/zijn naam staande betaalrekening wordt toegedeeld (a. en d.), onder verrekening van het saldo daarvan per 30 maart 2023. Tussen partijen is daarbij niet (langer) in geschil dat het saldo van de betaalrekening van de vrouw per 30 maart 2023 € 1.012,18 bedroeg, en het saldo van de betaalrekening van de man.€ 1.242,76. Dit betekent dat de man aan de vrouw moet betalen € 621,38 en de vrouw aan de man € 506,09. Per saldo moet de man ter afrekening van de saldi van de betaalrekeningen dus € 115,29 voldoen.
Spaarrekeningen man (b. en c.)
5.31
Wat betreft de Nederlandse en Marokkaanse spaarrekeningen van de man (b. en c.) oordeelt het hof als volgt. De vrouw heeft aangevoerd dat het saldo op de Nederlandse spaarrekening minimaal € 82.500,- zou moeten bedragen. De man heeft immers nooit een bijdrage aan de kosten van de huishouding geleverd, en daardoor minimaal een bedrag van € 1.500,- kunnen sparen. Gerekend over een periode van 55 maanden, leidt dat tot een bedrag van € 82.500,-. De vrouw heeft recht op de helft daarvan. De vrouw verwijst in dit verband ook nog naar een whatsappbericht van de man van 11 april 2021, waarin hij aangeeft dat het saldo van zijn Marokkaanse banrekening € 20.000,- bedraagt, en het saldo van de zijn Nederlandse spaarrekening € 13.000,-. De man heeft in de procedure geen bankafschrift van zijn Nederlandse spaarrekening per 30 maart 2023 in geding gebracht. Daarom moet de man alsnog worden veroordeeld om de afschriften van zijn bankrekeningen over de periode vanaf 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 in geding te brengen, althans van de laatste zes maanden voor ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daaruit zal blijken dat de man stelselmatig gelden van de gemeenschap heeft proberen weg te sluizen.
5.32
Het hof volgt de vrouw niet in haar betoog. De man heeft als productie 6 in eerste aanleg een afschrift van zijn Nederlandse spaarrekening overgelegd. Dit betreft een afschrift over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 12 juni 2023. Uit dat afschrift volgt dat zowel het beginsaldo van de bankrekening (dus het saldo per 1 november 2022), als het eindsaldo van de bankrekening (dus per 12 juni 2023), nihil bedroeg. Bovendien volgt uit het afschrift dat in deze periode geen transacties hebben plaatsgevonden. Hieruit kan worden afgeleid dat het saldo van de Nederlandse spaarrekeningen per 30 maart 2023 ook nihil bedroeg. Het hof zal daar dan ook van uitgaan.
5.33
Wat betreft de Marokkaanse bankrekening van de man oordeelt het hof als volgt. De rechtbank heeft beslist dat deze bankrekening aan de man wordt toegedeeld, en is er daarbij van uitgegaan dat het saldo van deze bankrekening per 30 maart 2023 € 20.000,- bedroeg. Volgens de man is dat niet juist, Naar zijn mening dient te worden uitgegaan van een saldo van € 18.371,07. De vrouw heeft recht op de helft van dit bedrag. Aan haar komt dus een bedrag van € 9.185,54 toe. De man wil dat het hof bepaalt dat hij aan de vrouw een cheque ter grootte van dit bedrag kan doen toekomen, waarmee zij het bedrag kan incasseren bij de bank in Marokko. De vrouw is daarentegen van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een saldo van € 20.000,-, en wil dat de man wordt veroordeeld om aan haar een bedrag van € 10.000,- te voldoen. Dit heeft zij in haar verweerschrift in het incidenteel appel dan ook (voor het eerst) gevorderd.
5.34
Het hof constateert dat de man geen bankafschrift heeft overgelegd waaruit het saldo van de Marokkaanse bankrekening per 30 maart 2023 volgt of kan worden afgeleid. De man heeft alleen maar een afschrift overgelegd waaruit het saldo van de bankrekening per 18 november 2018 volgt (zie productie 5 in eerste aanleg), en het saldo per 16 augustus 2023 (zie productie 17). Uit deze afschriften volgt dat het saldo van de Marokkaanse bankrekening per 15 november 2018 (omgerekend naar euro’s) € 18.831,23 bedroeg, en per 16 augustus 2023 € 18.371,07. De man heeft gesteld dat hij geen bankafschrift kan overleggen waaruit het saldo van de bankrekening per peildatum blijkt. De vrouw heeft dat betwist. Verder heeft de vrouw gewezen op het hiervoor reeds genoemde whatsappbericht van de man van 11 april 2021, waarin de man zelf heeft geschreven dat op zijn Marokkaanse bankrekening een saldo van € 20.000,- stond. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat moet worden uitgegaan van een saldo op de Marokkaanse bankrekening per peildatum van € 20.000,-. Zoals de vrouw terecht heeft gesteld, heeft de man zelf aangegeven dat ten laste van deze bankrekening ook bedragen werden afgeschreven, zodat het saldo per 30 maart 2023 hoger kan zijn geweest dan het saldo per 16 augustus 2023. Bovendien heeft de man in 2021 zelf aan de vrouw geschreven dat het saldo van zijn Marokkaanse bankrekening per 11 april 2021 € 20.000,- bedroeg. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat dit bericht niet van hem afkomstig is. Hij heeft dit ook pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gesteld, en dit verder niet onderbouwd. Gegeven de inhoud van dit eerdere bericht en de stellingen van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om alsnog bewijs in het geding te waaruit het saldo van zijn Marokkaanse bankrekening per peildatum volgt. Dat hij dit heeft nagelaten, dient voor zijn rekening en risico te komen.
5.35
Wat betreft de wijze van afrekening van het saldo op de Marokkaanse bankrekening, oordeelt het hof als volgt. De rechtbank heeft in het dictum van haar uitspraak bepaald dat partijen het saldo van de Marokkaanse spaarrekening bij helfte dienen te delen. De man heeft in zijn incidenteel appel verzocht om te bepalen dat hij aan de vrouw een cheque uitschrijft waarmee zij het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verdeling van het saldo van de Marokkaanse bankrekening zelf kan incasseren bij de bank in Marokko. In haar verweerschrift op het incidenteel appel heeft de vrouw verzocht de man om de man te veroordelen aan haar een bedrag van € 10.000,- te voldoen uit hoofde van verdeling van het saldo van de Marokkaanse bankrekening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat dit nog steeds haar voorkeur heeft, maar dat als dat niet kan, zij instemt met het uitschrijven van een cheque. Het hof stelt vast dat de vrouw pas voor het eerst in haar verweerschrift in het incidenteel appel een andere wijze van afwikkeling heeft verzocht dan door de rechtbank was bepaald. Op grond van de zogenoemde twee-conclusie-regel dient een wijziging van eerdere verzoeken echter plaats te vinden in het eerste processtuk in hoger beroep. Voor de vrouw was dat de memorie van grieven. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om uit hoofde van de verdeling van de Marokkaanse bankrekening een bedrag van € 10.000,- aan haar te voldoen is dus te laat gedaan. Nu de vrouw er (subsidiair) mee heeft ingestemd dat de man een cheque uitschrijft, zal het hof de man daartoe veroordelen. Het hof zal daar geen termijn aan verbinden, zoals door de vrouw pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling is verzocht. Dat betekent dat de man direct na betekening van deze uitspraak gehouden zal zijn om de cheque aan de vrouw af te geven.
Spaarrekening op naam van de vrouw (e.)
5.36
De man stelt dat ook de vrouw een spaarrekening heeft waarvan het saldo in de verdeling dient te worden betrokken. De vrouw heeft echter betwist dat zij een spaarrekening heeft. De man heeft geen verdere feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vrouw op haar naam een spaarrekening heeft. Dat betekent dat de stelling van de man dat de vrouw ook een spaarrekening houdt die in de verdeling moet worden betrokken, door het hof zal worden gepasseerd.
Bankrekeningen op naam van de kinderen (f. en e.)
5.37
Ten aanzien van het saldo van de bankrekeningen op naam van de kinderen (f. en g.) neemt het hof als uitgangspunt dat deze bankrekeningen op naam van de kinderen staan. Het saldo van een bankrekening kan niet aan een ander toebehoren dan aan degene op wiens naam die rekening is gesteld. Dat betekent dat het saldo van de bankrekeningen op naam van de kinderen tot hun vermogen behoort. Dat saldo behoort dus niet tot de huwelijksgemeenschap van partijen, en kan dus ook niet in de verdeling worden betrokken. De man heeft echter ook nog aangevoerd dat de vrouw zonder zijn toestemming grote geldbedragen naar de bankrekeningen van de kinderen heeft overgemaakt en daarmee de gemeenschap heeft benadeeld. Hij heeft daarbij de vernietiging van de daaraan ten grondslag liggende rechtshandeling ingeroepen. De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat zij gedurende het huwelijk van partijen stelselmatig voor de kinderen heeft gespaard. Partijen hadden volgens de vrouw afgesproken dat de vrouw voor de kinderen zou sparen, en de man voor partijen zelf. De vrouw betaalde de vaste lasten, en hetgeen van haar inkomen overbleef, verdeelde zij over de bankrekeningen van de kinderen. Ook de kinderbijslag werd op hun bankrekeningen overgemaakt. De vrouw heeft in dat verband verwezen naar de bankafschriften van haar betaalrekening over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023, die zij als productie 10 in geding heeft gebracht. Daaruit blijkt dat zij in die periode stelselmatig bedragen naar de bankrekeningen van de kinderen overmaakte. Het hof is van oordeel dat de man, tegenover deze gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende naar voren heeft gebracht op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vrouw bedragen zonder zijn toestemming aan de kinderen heeft geschonken of bedragen onrechtmatig aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken. Dat betekent dat zijn beroep op de vernietigbaarheid van de overboekingen zal worden afgewezen.
Overleggen van bankafschriften over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023
5.38
Op grond van hetgeen hiervoor is beslist en overwogen, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende rechtmatig belang heeft bij afgifte van de afschriften van de bankrekeningen van de man over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023. De vrouw heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat zij vermoedt dat de man gelden heeft weggemaakt. Zij heeft echter, tegenover de informatie die de man wel in geding heeft gebracht, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die dit vermoeden (kunnen) onderbouwen. Het hof komt verder niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de man om juist de vrouw te veroordelen om haar bankschriften over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 in geding te brengen. De man heeft dit verzoek immers gedaan onder de voorwaarde dat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen. Bovendien heeft de vrouw als productie 10 de bankafschriften van haar betaalrekening over de periode 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 zelf al in geding gebracht.
De inboedel
5.39
De rechtbank heeft over de verdeling van de inboedel beslist dat partijen om de beurt een inboedelgoed mogen kiezen, waarbij de vrouw mag beginnen. De man is het met deze beslissing niet eens. Hij stelt dat partijen nog geen uitvoering aan deze beslissing hebben gegeven. De vrouw maakt dat onmogelijk. De man heeft als productie 15 een inboedellijst overgelegd. Daarop staan de inboedelgoederen van partijen en hun waarde vermeld. Daaronder is ook goud en zilver begrepen. De man wil dat de volledige inboedel aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij zij aan hem een vergoeding van € 8.062,50 dient te betalen. De man wil verder dat de vrouw aan hem KPN-apparatuur afgeeft, en een aantal foto’s van de kinderen. De vrouw is het niet met de verzoeken van de man mee eens. Zij wil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft. Partijen hebben ook al gedeeltelijk uitvoering aan die beslissing gegeven, waarbij de man ook al enkele goederen heeft meegenomen. De overige goederen kunnen in overleg nog worden verdeeld. De vrouw betwist dat zij goud en zilver zou hebben. Zij betwist bovendien dat zij KPN-apparatuur onder zich zou houden. Fysieke foto’s van de kinderen hebben partijen nooit gehad. Alle foto’s van de kinderen staan op de telefoons van partijen.
5.4
Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de inboedel in stand laten. De man heeft als productie 15 een inboedellijst overgelegd, maar de daarop vermelde waardes zijn door de vrouw betwist, en door de man in het geheel niet onderbouwd. De vrouw heeft aangeboden dat de man kan aangegeven welke goederen hij nog wil, en dat hij deze bij de vrouw kan ophalen. Zij heeft verder betwist dat zij goud en zilver zou hebben, en de man heeft zijn stelling daarover in het geheel niet onderbouwd. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde wijze van verdeling van de inboedel redelijk en billijk is. De grief van de man ten aanzien van de inboedel zal dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor zijn verzoeken ten aanzien van de KPN-apparatuur en de foto’s van de kinderen. De vrouw heeft betwist dat zij deze apparatuur onder zich heeft, en heeft betwist dat partijen fysieke foto’s van de kinderen hebben gehad. Ook deze stellingen heeft de man, tegenover deze betwisting van de vrouw, verder in het geheel niet onderbouwd. Ook deze verzoeken zal het hof dus afwijzen.
De auto
5.41
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de auto, merk Volkswagen, aan de man toegedeeld tegen een waarde van € 4.000,-. De man is het daar niet mee eens, Hij is van mening dat de auto tegen een waarde van € 3.000,- aan hem had moeten worden toegedeeld. Deze waarde baseert hij op een ANWB-koerslijst d.d. 14 september 2024. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een waarde van € 4.000,-.
5.42
Het hof is van oordeel dat beslissing van de rechtbank juist is. De man heeft vanaf het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap het gebruik van de auto gehad. Om die reden is het redelijk en billijk om voor de waarde van de auto uit te gaan van 30 maart 2023 als peildatum. In de door de man overgelegde ANWB- koerslijst heeft hij als peildatum voor de waardering 14 september 2024 als uitgangspunt genomen, en niet 30 maart 2023. De waarde van de auto kan dus niet op deze koerslijst worden gebaseerd. De man heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de waarde van € 4.000,- per 30 maart 2023 niet juist is. Het hof zal de grief van de man ten aanzien van de auto dan ook afwijzen.
Het huis in Marokko
5.43
De man stelt dat de vrouw (vermoedelijk) mede-eigenaar is van een woning in Marokko. Dat is zij met haar vader. De rechtbank heeft het aandeel van de vrouw in de woning ten onrechte niet in de verdeling betrokken. De man wil dat de vrouw wordt veroordeeld om het eigendomsbewijs van de woning in geding te brengen, zodat duidelijk wordt wie er – naast de vader van de vrouw – nog meer eigenaar van de woning is. De vrouw betwist dat zij mede-eigenaar is van een woning in Marokko. Ook haar vader heeft geen woning in Marokko.
5.44
Het hof zal de verzoeken van de man afwijzen. De vrouw heeft betwist dat zij met haar vader mede-eigenaar is van een woning in Marokko, en de man heeft tegenover deze betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij en/of haar vader wel mede-eigenaar zijn van een woning in Marokko. Met name heeft de man niet concreet gemaakt om welke woning het zou gaan, bijvoorbeeld door het noemen van een adres of plaats, of het overleggen van foto’s. Bij gebreke van die concrete feiten en omstandigheden heeft de man (ook) geen voldoende rechtmatig belang bij afgifte van het eigendomsbewijs van de (beweerdelijke) Marokkaanse woning.
De schulden aan de broers van de vrouw
5.45
In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat op 30 maart 2023 tot de huwelijksgemeenschap een tweetal schulden van de vrouw aan haar broers behoorde van in totaal € 5.000,- De rechtbank heeft bepaald dat beide partijen ieder bij helfte draagplichtig zijn voor deze schulden. De man is het daar niet mee eens. Daarbij heeft hij verwezen naar hetgeen hij in eerste aanleg omtrent deze schulden reeds heeft aangevoerd. De vrouw is van mening dat het oordeel van de rechtbank juist is.
5.46
Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat per 30 maart 2023 een schuld van € 3.000,- aan [naam 1] en een schuld van € 2.000,- aan [naam 2] tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Deze bedragen heeft zij respectievelijk op 14 augustus 2022 en 7 oktober 2022 geleend en op haar rekening gestort gekregen (zie productie 12 eerste aanleg). Uit artikel 1:100 lid 2 BW volgt dat ieder van de echtgenoten bij helfte draagplichtig is voor schulden van de huwelijksgemeenschap, tenzij bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap de goederen niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit. Zijn de goederen van de gemeenschap wel toereikend, dan kan slechts van de gelijke draagplicht worden afgeweken wanneer deze gelijke draagplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De man heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat de goederen van de gemeenschap per datum ontbinding ontoereikend waren om de schulden van de gemeenschap te kunnen voldoen. Dat betekent dat slechts van de gelijke draagplicht kan worden afgeweken wanneer deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De omstandigheden die de man heeft aangevoerd, kunnen evenwel niet tot die conclusie leiden. De grief van de man ten aanzien van de schulden zal dan ook worden afgewezen.
Schulden aan Waternet
5.47
De man heeft in hoger beroep betaling van de vrouw gevorderd van een bedrag van € 278,-. Hij heeft na ontbinding van de huwelijksgemeenschap de waterschapsbelasting betaald voor de voormalig echtelijke woning over de jaren 2021 en 2022. De vrouw diende deze schulden bij helfte te dragen. Daarom heeft hij recht op vergoeding van de helft van het bedrag dat hij heeft voldaan. De vrouw heeft betwist dat zij aan de man de helft van de door hem betaalde waterschapsbelasting is verschuldigd. De man was verantwoordelijk voor de betaling van de jaarlijkse waterschapsbelasting. Hij heeft bewust de nota’s niet voldaan. De schulden waren dan ook vermijdbaar en zijn verwijtbaar, zodat de man deze volledig dient te dragen.
5.48
Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is geoordeeld over de draagplicht voor schulden van de huwelijksgemeenschap. Ook de vrouw heeft niet gesteld dat de goederen van de gemeenschap per datum ontbinding onvoldoende waren om de schulden te voldoen. Dat betekent dat slechts van de gelijke draagplicht kan worden afgeweken wanneer deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd, kunnen evenwel niet tot die conclusie leiden. Nu de vrouw verder niet heeft betwist dat de man de schulden aan het Waterschap volledig heeft voldaan, heeft de man meer van deze schulden gedragen dan hij in de onderlinge verhouding met de vrouw behoorde te doen. Om die reden heeft hij een vordering op de vrouw ter grootte van de helft van de door hem betaalde bedragen. Het hof zal de vrouw dan ook veroordelen om aan de man een bedrag van € 278,- te betalen.
Conclusie vermogensrechtelijke afwikkeling
5.49
Slotsom uit het voorgaande is dat partijen nog enkele posten over en weer moeten afrekenen. De man moet aan de vrouw een cheque afgeven van € 10.000,- die de vrouw bij de bank in Marokko kan incasseren (r.o. 5.35), de man moet aan de vrouw € 115,29 voldoen ter afrekening van de saldi van de betaalrekeningen (r.o. 5.30) en de vrouw moet aan de man € 278,- betalen voor de schulden aan Waternet (r.o. 5.48). Deze laatste twee posten kunnen met elkaar verrekend worden, zodat het hof de vrouw zal veroordelen tot betaling van € 162,71, waarmee de vorderingen over en weer zijn verrekend.

6.De beslissing

Het hof:
Ten aanzien van de zorgregeling
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vrouw en de man zo dat [kind 3] iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man zal verblijven, waar zij ook samen zullen eten. De man haalt en brengt [kind 3] van en naar de vrouw;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst ter zake de zorgregeling het in hoger beroep meer of anders verzochte af;
Ten aanzien van de kinderalimentatie
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zal betalen:
- € 75,- ( zegge: vijfenzeventig euro) per kind per maand van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024;
- € 92,- ( zegge: tweeënnegentig euro) per kind per maand van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025;
- € 87,- ( zegge: zevenentachtig euro) per kind per maand van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025;
- € 96,- ( zegge: zesennegentig euro) per kind per maand vanaf 1 maart 2025,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de jongmeerderjarige [kind 1] met ingang van [datum] 2025 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie € 96,- (zegge: zesennegentig euro) per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;
wijst ter zake de kinderalimentatie het in hoger beroep meer of anders verzochte af;
Ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling
vernietigt de beschikking waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de verdeling van de Marokkaanse bankrekening en de waterschapsbelasting, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de man om aan de vrouw een cheque af te geven waarmee zij ten laste van de man een bedrag van € 10.000,- kan incasseren bij de bank in Marokko waar de man zijn bankrekening houdt (Banque Populaire);
veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 162,71 te betalen;
verklaart deze beschikking wat betreft voormelde beslissingen over de vermogensrechtelijke afwikkeling uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling voor het overige, en wijst het in hoger beroep meer of anders verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. J.F. Miedema en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. L. Meulman als griffier en is op 29 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.