Art. 22 Wet WOZArt. 40, tweede lid, Wet WOZArt. 17, tweede lid, Wet WOZArt. 6:17 AwbArt. 7:4, vierde lid, Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtbankuitspraak over WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende is eigenaar van meerdere onroerende zaken, waaronder winkelruimtes en bovenwoningen, waarvan de WOZ-waarden voor het kalenderjaar 2021 zijn vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente. Belanghebbende stelde dat deze waarden te hoog waren en vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende wel een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof nam de feiten en overwegingen van de rechtbank over en oordeelde dat de WOZ-waarden op juiste wijze waren vastgesteld, onder meer op basis van vergelijkingsobjecten en taxatieverslagen. Klachten over ontbrekende gegevens en onjuiste objectafbakening werden verworpen.
Verder oordeelde het Hof dat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan belanghebbende zelf was toe te rekenen vanwege vertraagde betaling van griffierecht. De toegekende immateriële schadevergoeding werd daarom als passend beoordeeld. De wijze van procederen door de gemachtigde werd bekritiseerd vanwege onvoldoende onderbouwing en late indiening van grieven.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een andere beslissing omtrent de WOZ-waarden, immateriële schadevergoeding of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 23/811
3 juni 2025
uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 5 september 2023 in de zaak met kenmerk HAA 21/6238 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [A] ,de heffingsambtenaar,
en
de Staat, de minister van Justitie en Veiligheidte Den Haag, de Minister,
op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen krachtens artikel 22 vanPro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 26 februari 2021 voor het kalenderjaar 2021 op de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de waardepeildatum):
- de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [A] (hierna: object A) vastgesteld op € 140.000;
- de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [A] (hierna: object B) vastgesteld op € 196.000;
- de waarde van de onroerende zaak [b-straat 1] te [A] (hierna: object C) vastgesteld op € 520.000;
- de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1A] te [A] (hierna: object D) vastgesteld op € 111.000;
- de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1B] te [A] (hierna: object E) vastgesteld op € 111.000;
- de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1C] te [A] (hierna: object F) vastgesteld op € 111.000.
In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen bekend gemaakt.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikkingen gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 september 2023 als volgt beslist (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 333;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 167;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 49 ieder voor de helft (€ 24,50) aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 september 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Met dagtekening 10 december 2024 en 11 februari 2025 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend. Op 15 mei 2025 is bij het Hof een laatste nader stuk van belanghebbende ingekomen.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2.Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“ Feiten
1. Eiser is eigenaar van de objecten A, B, C, D, E en F (tezamen: de objecten):
- Object A betreft een winkelruimte op de begane grond ter grootte van 25 m2.
- Object B betreft een winkelruimte op de begane grond ter grootte van 35 m2.
- Object C betreft een winkelpand ter grootte van 406 m2 met een winkelruimte op de begane grond ter grootte van 186 m2 en een kantine (van 30 m2), magazijn/opslag van 60 m2 en kantoor van 30 m2 op bovengelegen verdiepingen.
- Object D betreft een bovenwoning ter grootte van 40 m2.
- Object E betreft een bovenwoning ter grootte van 40 m2.
- Object F betreft een bovenwoning ter grootte van 40 m2.
2. De objecten A, D, E en F zijn gelegen op hetzelfde perceel, ter grootte van 50 m2.
3. Object B is gelegen op een perceel ter grootte van 41 m2.
4. Object C is gelegen op een perceel ter grootte van 213 m2.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan met dien verstande dat object C een winkelpand betreft met een totale oppervlakte van 406 m2, bestaande uit een winkelruimte van 186 m2, een kantine van 30 m2, magazijn/opslag van 130 m2 en een kantoor van 60 m2.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase taxatieverslagen naar belanghebbende gestuurd. Daaruit volgt dat de WOZ-waarden van de objecten A tot en met C op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode zijn bepaald. De WOZ-waarden van de objecten D tot en met F zijn op basis van de vergelijkingsmethode bepaald.
2.4.
Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende op de vraag waarom het stuk van 15 mei 2025 zo laat is ingediend verklaard dat de oorzaak gelegen is in zijn drukke werkzaamheden.
3.Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de WOZ-waarden van de objecten A tot en met F te hoog zijn vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.
4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“ Beoordeling van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken
8. Eiser stelt dat ondanks zijn verzoek in de bezwaarfase verweerder ten onrechte de
opbouw van de kapitalisatiefactor niet heeft getoond, de huurinformatieformulieren niet heeft overgelegd en voor de woningen de grondstaffel niet heeft verstrekt. De klachten behelzen dat verweerder in de bezwaarfase niet heeft voldaan aan de in de artikelen 6:17 en 7:4, vierde lid van de Awb en artikel 40, tweede lid, Wet WOZ neergelegde verplichtingen en eiser verbindt hieraan de conclusie dat het beroep reeds hierom gegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft dat betwist.
9. De rechtbank overweegt als volgt en heeft daarbij het navolgende als uitgangspunt
genomen. De Hoge Raad (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052) heeft geoordeeld dat de uitleg die aan artikel 40, lid 2, Wet WOZ moet worden gegeven ertoe strekt dat indien eiser aan verweerder een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde, verweerder op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gehouden is te voldoen aan het verzoek van eiser om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken.
10. Ten aanzien van het niet verstrekken van de grondstaffels stelt verweerder dat deze
niet gebruikt worden voor de taxatie van niet-woningen, en in dit geval voor de woningen ook niet nu het kleine bovenwoningen betreft. De rechtbank volgt verweerder hierin zodat er geen verplichting was de grondstaffel te verstrekken. Ten aanzien van de kapitalisatiefactor en de huurinformatie stelt verweerder dat hij de waarde van de niet-woningen heeft onderbouwd met behulp van de vergelijkingsmethode, en niet met de huurkapitalisatiemethode, en dat de waarde van de niet-woningen is bepaald op basis van de huurwaarde per m2 die volgt uit de verkopen van de vergelijkingsobjecten, zodat een verdere onderbouwing van de kapitalisatiefactor en het verstrekken van huurinformatie niet vereist is. De rechtbank volgt verweerder hierin zodat van een schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ geen sprake is.
De waarde
11. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar de door hem in de bezwaarfase overgelegde taxatieverslagen.
12. Op grond van artikel 4 vanPro de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, bepaald voor:
a. woningen: door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn;
b. niet-woningen: door middel van een methode van kapitalisatie van de brutohuur, door middel van een methode van vergelijking als bedoeld onder a, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.
13. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) eiser – nadat hij erop is gewezen dat een algemeen geformuleerd beroepschrift is ingediend met niet of nauwelijks onderbouwde op de objecten betrekking hebbende stellingen – gevraagd welke beroepsgronden hij wil handhaven. De rechtbank maakt uit de reactie van de gemachtigde ter zitting op dat alleen de hierna te bespreken gronden in beroep nog moeten worden besproken en beperkt zich daartoe.
Winkelpanden: objecten A, B en C ( [a-straat 1] en [a-straat 2] en de [b-straat 1] )
14. Ten aanzien van de waarde van de objecten A, B en C stelt eiser dat er niet op de juiste wijze rekening is gehouden met de wet van afnemend grensnut. De objecten A en B verschillen 10 m2 van oppervlakte, maar de prijs wordt door verweerder voor beide objecten berekend op € 5 .600. De referentieobjecten [a-straat 3] en [a-straat 4] zijn respectievelijk 58 m2 en 63 m2 groot en vertegenwoordigen een waarde per vierkante meter van respectievelijk € 5 .948 en € 4.603. Voorts is er volgens eiser ten onrechte geen leegstandanalyse gedaan, terwijl zich veel leegstand heeft gemanifesteerd door de Covid-19 pandemie. Dit veroorzaakt een daling van de waarde.
15. Verweerder heeft de waarde van de objecten A, B en C onderbouwd op basis van een systematische vergelijking van marktgegevens. Deze werkwijze is in overeenstemming met het bepaalde in de Wet WOZ en de Uitvoeringsregeling als hiervoor weergegeven. Met de taxatieverslagen en de toelichting in de uitspraak op bezwaar en het verweerschrift heeft verweerder dan ook aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Hetgeen eiser daar tegenover heeft gesteld brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
16. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de referentieobjecten [a-straat 6] , [a-straat 4] en [a-straat 5] , voldoende vergelijkbaar met de objecten A en B om te dienen als vergelijkingsobjecten voor het vaststellen van de huurwaarde en de kapitalisatiefactor. Alle objecten zijn in dezelfde straat gelegen winkelpanden en zijn binnen een jaar na de waardepeildatum verkocht. Het object [a-straat 6] is bovendien exact even groot (25 m2) als object A en bij uitstek een goed vergelijkingsobject.
17. De referentieobjecten [b-straat 2] en [a-straat 3] en [a-straat 5] zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende vergelijkbaar met object C om te dienen als vergelijkingsobjecten voor het vaststellen van de huurwaarde en de kapitalisatiefactor. Alle objecten zijn in dezelfde buurt in de binnenstad van [A] gelegen en zijn binnen een jaar voor of na de waardepeildatum verkocht. Met het feit dat de vergelijkingsobjecten qua oppervlakte kleiner zijn dan object C, is in de vergelijking rekening gehouden.
18. Naar het oordeel van de rechtbank was de heffingsambtenaar in het onderhavige geval niet gehouden om een bottom-up berekening (een opbouw van de kapitalisatiefactor van onderaf met gegevens van het bedrijfsobject) met een leegstands- en beheersrisico’s te overleggen. Uit de taxatieverslagen en de toelichting daarop in de uitspraak op bezwaar en in het verweerschrift blijkt dat in dit geval voldoende geschikte verkoopcijfers beschikbaar waren om de kapitalisatiefactor van de objecten van eiser te bepalen. Ook heeft de heffingsambtenaar in voldoende mate inzichtelijk gemaakt hoe de verkoopcijfers van de referentieobjecten in verhouding staan tot de objecten van eiser. De vergelijkingsobjecten bieden voldoende steun voor verweerders onderbouwing dat de kapitalisatiefactoren van 12,5 (object A en B) en 11,5 (object B) niet te hoog zijn. Omdat in de marktgegevens het eventuele leegstands- en beheersrisico is verdisconteerd, is er bovendien geen noodzaak om deze afzonderlijk voor elk object te bepalen.
19. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. Uit de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde taxatieverslagen en de toelichting daarop in de uitspraak op bezwaar en in het verweerschrift leidt de rechtbank af dat verweerder bij de waardering van de objecten van eiser wel degelijk rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat verweerder, met uitzondering van het referentieobject [a-straat 6] , uitgaat van een lagere vierkante meterprijs naar mate het perceel groter is. Voor de objecten A, B en C geldt dat de door verweerder bepaalde waarde per vierkante meter lager is dan de waarde per vierkante meter die uit de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten volgt. Voor zover verweerder in onvoldoende mate rekening gehouden zou hebben met het afnemend grensnut, zou dit betekenen dat de waarde van de objecten A en B eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld.
20. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de aan de winkelpanden van eiser toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Ook in zoverre is het aannemelijk geworden dat de door verweerder bepaalde waarden van de objecten niet te hoog zijn.
Woningen: objecten D, E en F ( [a-straat 1A] , [a-straat 1B] en [a-straat 1C] )
21. Ten aanzien van de waarde van de objecten D, E en F stelt eiser dat de referentieobjecten zo’n hoge waarde per m2 vertegenwoordigen, dat ze daarom al niet vergelijkbaar zijn met de woningen van eiser. Eiser stelt voorts dat hij van verweerder te weinig informatie heeft ontvangen, zoals een waardematrix en koudv-factoren, om inhoudelijke grieven te formuleren tegen de uitspraak op bezwaar.
22. De rechtbank is van oordeel dat, als eiser van mening is dat de waarde van de objecten door verweerder te hoog is vastgesteld, het aan hem is om deze stelling te onderbouwen. Het is dan aan de ambtenaar om tegenover dergelijke standpunten eventueel een waardematrix, iWOZ-gegevens of een andere vorm van onderbouwing in te brengen. Verweerder is daartoe op grond van artikel 40 vanPro de Wet WOZ, echter niet verplicht. Gelet op het feit dat eiser in zijn beroepschrift of ter zitting niet concreet heeft gemaakt op grond waarvan de waarde lager zou moeten worden vastgesteld, kon verweerder in dit geval volstaan met de taxatieverslagen van de woningen. Gesteld nog gebleken is dat de in de taxatieverslagen opgenomen gegevens onjuist zijn. Het is niet vereist dat de WOZ-waarde van de woning wiskundig wordt bewezen door de heffingsambtenaar. Daarbij brengt de rechtbank in herinnering dat het waarderen van onroerende zaken geen exacte wetenschap is (vlg. gerechtshof Den Haag 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1652 en gerechtshof Amsterdam 7 december 2021 ECLI:NL:GHAMS:2021:3807). Gelet op het bovenstaande heeft verweerder, ook in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waardes van de appartementen van € 111.000 niet te hoog zijn.
Alle objecten
23. Uit de taxatieverslagen komt duidelijk naar voren dat de objecten zijn getaxeerd aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum. Met de nadien opgetreden waardeontwikkelingen behoeft dus geen rekening te worden gehouden. Verder valt niet in te zien hoe de COVID-19 pandemie, die eerst in 2020 opgeld deed in Nederland en de oorlog in Europa, die begin 2022 uitbrak, van invloed kunnen of konden zijn op de waarde per de waardepeildatum.
Vergoeding van immateriële schade
24. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep.
25. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.
26. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 4 maart 2021 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 5 september 2023. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond 31 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt derhalve zeven maanden. Omdat de uitspraak op bezwaar is gedaan op 8 oktober 2021, zijn van die overschrijding afgerond 2 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en afgerond 5 maanden aan de beroepsfase.
27. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van bijzondere omstandigheden die de aanleiding zijn voor verlenging van de redelijke termijn.
28. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 16 november 2021. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser een nota voor de griffierechten gezonden op 3 december 2021. De nota was voorzien van de naam van belanghebbende en verweerder en van het aan de zaak toegekende rolnummer. Eiser werd gevraagd om binnen vier weken te betalen. De gemachtigde van eiser heeft drie maal (bij brieven door de rechtbank ontvangen op 6 en 13 januari 2022 en 2 februari 2022) gevraagd om vrijstelling van betaling van griffierecht. De rechtbank heeft op 20 januari 2022 opgave gevraagd van de relevante inkomensgegevens van eiser. De gemachtigde van eiser heeft daarop een draagkrachtverklaring van zijn eigen onderneming verstrekt. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 4 februari 2022 bericht, dat het verzoek om vrijstelling van het griffierecht werd afgewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 5 februari 2022 een nota griffierecht gestuurd en op 6 maart 2023 een herinnering gestuurd. De gemachtigde van eiser heeft twee maal (bij brieven door de rechtbank ontvangen op 16 februari 2022 en 14 maart 2022) gevraagd om een heroverweging van het verzoek om vrijstelling van betaling van griffierecht. Het griffierecht is betaald op 4 april 2022. Gedurende de periode dat het griffierecht wel verschuldigd maar nog niet betaald is, ligt de procedure stil. De rechtbank kan niet anders dan concluderen, dat de gemachtigde van eiser – in deze zaak, maar ook in vele andere zaken die bij de rechtbank dienen – heeft gevraagd om vrijstelling van de betaling van griffierecht zonder in staat of bereid te zijn de nodige gegevens over te leggen. In deze zaak beschouwt de rechtbank de periode van afgerond 4 maanden tussen 3 december 2021 en 4 april 2022 als vertraging waar geen rechtvaardiging voor is gebleken en die aan (de gemachtigde van) eiser is toe te rekenen. De gemachtigde van eiser had er ook voor kunnen kiezen (zoals hij uiteindelijk ook heeft gedaan) om eerst zekerheidshalve te betalen en daarna met de rechtbank te corresponderen over het beroep op betalingsonmacht. De rechtbank vermindert daarom de duur van de periode tussen bezwaar en uitspraak met de vertraging in de betaling van het griffierecht. In dat geval is er dan sprake van overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden, waarvan twee maanden zijn toe te rekenen aan verweerder en een maand aan de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Dit betekent dat verweerder een vergoeding van € 333 aan eiser dient te betalen en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) van € 167.
Conclusie en gevolgen
29. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarde van de objecten niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.
Proceskosten
30. De rechtbank zal verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
ieder bij helfte veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0, 5 nu de vergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van immateriële schade). Ook dienen verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), eveneens ieder bij helfte, het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.”
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Vooraf
5.1.1.
Van een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde die zeer veel procedeert – zoals de gemachtigde in deze zaak – mag worden verwacht en verlangd dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd.
5.1.2.
De door de gemachtigde in deze procedure ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. De stukken staan vol algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en/of inconsistente en/of fragmentarische stellingen en beweringen. De stellingen en beweringen worden door de gemachtigde standaard aangevoerd zonder dat deze zijn voorzien van een ook maar enigszins substantiële feitelijk onderbouwing, in vrijwel alle door hem gevoerde procedures ook als evident is dat deze onmiskenbaar geen enkele betekenis hebben voor de desbetreffende zaak (zoals betogen omtrent de taxatie van hotels in zaken waar het gaat om de WOZ-waarde van een woning).
5.1.3.
Het is kennelijk de visie van de gemachtigde dat (de heffingsambtenaar en) de rechter zelf maar moet uitzoeken welke stellingen en beweringen relevant zouden kunnen zijn in de desbetreffende zaak. Illustratief hiervoor is de navolgende passage in de zogenaamde ‘pinpoint’-brief, welke de gemachtigde in deze zaak tweemaal op verschillende data en in subtiel verschillende verschijningsvormen heeft ingebracht: “Indien van toepassing: idem verzoek voor de parkeerplaats(en) c.q. de ter plekke aanwezige parkeergelegenheid(heden).”
5.1.4.
De wijze waarop belanghebbendes gemachtigde procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht en met de goede procesorde. Het is niet goed mogelijk (de inhoud van) de stukken van de gemachtigde zinvol bij de beoordeling van de zaak te betrekken. Het risico dat daarbij een stelling niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk met enig succes zou kunnen worden verdedigd, is het rechtstreeks gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde en komt derhalve voor rekening van de belanghebbende namens wie hij optreedt.
5.1.5.
Het Hof acht het evenzeer in strijd met een goede procesorde indien een gemachtigde die veelvuldig procedeert en dus met de gang van zaken tijdens een belastingprocedure bekend is, pas tijdens de mondelinge behandeling aangeeft welke grieven in een concrete zaak zijns inziens relevant zijn en/of pas dan allerlei gegevens van feitelijke aard poneert die ook (veel) eerder hadden kunnen worden gesteld en waarvan de juistheid niet onmiddellijk kan worden vastgesteld.
5.1.6.
Het Hof zal dan ook slechts beperkt ingaan op hetgeen van de zijde van belanghebbende in de loop van de procedure is aangevoerd.
WOZ-waarden
5.2.
De rechtbank heeft het beroep naar het oordeel van het Hof terecht ongegrond verklaard. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen in haar overwegingen 8 tot en met 23 acht het hof juist. Het Hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
5.3.1.
In het stuk van 15 mei 2025 (zie 1.5) stelt belanghebbende dat het oppervlak van object C 306 m2 bedraagt en hij verbindt hieraan de gevolgtrekking dat sprake is van een te onjuiste objectafbakening. Daarnaast klaagt hij dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen vastgoedkaarten zakelijk heeft overgelegd en dat in zijn dossier stukken missen (verweerschrift, matrix en taxatierapport).
5.3.2.
Het Hof volgt belanghebbendes klachten niet. Uit het procesdossier volgt dat de heffingsambtenaar als oppervlakte voor object C 406 m2 in aanmerking heeft genomen en dat dit is opgebouwd uit verschillende onderdelen (zie 2.2). Dat de rechtbank bij haar opsomming (zie 2.1) twee onderdelen achterwege heeft gelaten maakt niet dat sprake is van een onjuiste objectafbakening. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat geen ‘vastgoedkaarten zakelijk’ aan de WOZ-waarden ten grondslag hebben gelegen en dat deze hem ook niet ter beschikking hebben gestaan. Onder die omstandigheden rust op hem geen plicht dergelijke gegevens in te brengen. Het Hof stelt vast ten slotte vast dat het zaaksdossier compleet is. Van andere stukken dan die welke tot het dossier behoren (verweerschrift, matrix en taxatierapport) is geen sprake.
5.4.
Belanghebbende voert de volgende klacht aan:
“Primaire formele én financiële appelgrond: volstrekt ten onrechte wordt het griffierecht niet geretourneerd én evenmin wordt het juiste bedrag ten titel van ISV (in casu minimaal 1.000,- euro) toegekend. Evenzeer verzuimt de Rechtbank de gebruikelijke PKV vast te stellen én toe te wijzen aan de belanghebbende via diens gemachtigde. (…)”
De heffingsambtenaar heeft de in deze klacht begrepen stelling dat het griffierecht niet is geretourneerd weersproken en dit onderbouwd met een betalingsbewijs.
5.5.1.
Het Hof stelt vast dat ook dit deels een standaardklacht betreft die de gemachtigde in vele zaken naar voren brengt. Voor zover deze het griffierecht betreft faalt deze omdat hij feitelijke grondslag mist: de rechtbank heeft in haar uitspraak vergoeding van het griffierecht opgedragen en het Hof acht aannemelijk dat betaling hiervan heeft plaatsgevonden.
5.5.2.
Voor zover belanghebbende met zijn klacht inzake PKV (het Hof begrijpt: vergoeding van proceskosten) bedoelt dat geen kostenvergoeding is toegekend, faalt dit omdat de rechtbank dat wel heeft gedaan. Voor zover belanghebbende bedoelt te klagen dat de kostenvergoeding niet de gebruikelijke is, faalt dit omdat de toegekende vergoeding dat wel is (zie overweging 30 van de uitspraak van de rechtbank en de daarin opgenomen, puntwaarde, punten en wegingsfactor). Voor zover, ten slotte, belanghebbende bedoelt te klagen dat de rechtbank had moeten bepalen dat de kosten via zijn gemachtigde vergoed moeten worden faalt dat eveneens omdat op de rechtbank een dergelijk verplichting niet rust.
5.5.3.
Met betrekking tot de klacht inzake ISV (het Hof begrijpt: vergoeding van immateriële schade) overweegt het Hof als volgt. In overweging 26 van haar uitspraak becijfert de rechtbank de overschrijding naar boven afgerond op zeven maanden. Meer precies bepaald bedraagt de overschrijding zes maanden en twee dagen. Gelet op de door de rechtbank in overweging 28 van haar uitspraak weergegeven omstandigheden (drie consecutieve vrijstellingsverzoeken en twee verzoeken tot heroverweging, waarbij nimmer de vereiste onderbouwing is gegeven) dient een gedeelte van die vertraging voor rekening van belanghebbende te komen. Dat gedeelte bedraagt naar ’s Hofs oordeel in elk geval meer dan twee dagen, zodat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 500 aan schadevergoeding juist is, aangezien dit bedrag past bij een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.
Slotsom
5.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6.Kosten
Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 3 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: