In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 mei 2025 bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging. De verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van circa 2,4 kilogram cocaïne, bestemd voor handel en verspreiding, wat een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en openbare orde.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 27 maanden op, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal vorderde een soortgelijke straf met aanvullende voorwaarden, waaronder medewerking aan dagbesteding. De raadsman vroeg om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest en een taakstraf, vanwege de schuldenproblematiek en de zorg voor het gezin en een hulpbehoevende moeder.
Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn bereidheid tot begeleiding en behandeling. Het oordeelde dat een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur passend is, maar legde een straf op met een groot voorwaardelijk deel en een proeftijd van twee jaar, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, inspanning voor werk en medewerking aan schuldhulpverlening.
De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Het hof verwierp het verzoek om een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest aan te vullen met een taakstraf als te vergaand. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 augustus 2025.