ECLI:NL:GHAMS:2025:2321
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake internationale bevoegdheid en hoofdverblijfplaats minderjarige na ongeoorloofde overbrenging
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin een aanvraag van een minderjarige is afgewezen om bij zijn moeder in de Verenigde Arabische Emiraten te mogen verblijven.
De moeder betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en stelt dat de gewone verblijfplaats van het kind inmiddels in de VAE ligt, waar het kind al meer dan tien jaar woont en geworteld is. De vader betwist dit en stelt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is, omdat hij binnen een jaar na de ontvoering een teruggeleidingsverzoek heeft ingediend en geen sprake is van berusting.
Het hof oordeelt dat de moeder belanghebbende is in het hoger beroep, maar dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 onbevoegd is geworden, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in de VAE en daar geworteld is. De bestreden beschikking wordt vernietigd en de Nederlandse rechter wordt onbevoegd verklaard om te oordelen over de aanvraag en de verzoeken van de moeder in hoger beroep.
De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De Nederlandse rechter wordt onbevoegd verklaard om te oordelen over het verzoek van de minderjarige en de moeder, en de bestreden beschikking wordt vernietigd.