ECLI:NL:GHAMS:2025:2536

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
24 september 2025
Zaaknummer
000248-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand na sepot witwaszaak

Appellant werd verdacht van witwassen en werd vanaf het begin van het onderzoek bijgestaan door een advocaat. Na overleg en het verstrekken van aanvullende stukken wilde het Openbaar Ministerie aanvankelijk de vervolging voortzetten, maar uiteindelijk werd de zaak geseponeerd onder de voorwaarde dat appellant afstand deed van de in beslag genomen auto.

De rechtbank kende een gedeeltelijke vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand vanaf het moment dat partijen onderhandelden over een afdoening die een terechtzitting zou voorkomen. De advocaat-generaal adviseerde het hoger beroep af te wijzen.

Het hof oordeelt dat gelet op de omstandigheden en het feit dat appellant nooit afstand heeft gedaan van zijn recht op vergoeding, er gronden van billijkheid zijn om de volledige gevraagde vergoeding toe te kennen. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en kent een totaalbedrag van € 6.229,05 toe voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedures.

De beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 23 september 2025.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van € 6.229,05 toe voor de kosten van rechtsbijstand na sepot van de witwaszaak.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000248-25 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13-014307-22
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2024 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. S. van den Berg,
Pieter Braaijweg 85, 1114 AJ Amsterdam-Duivendrecht.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 23 december 2024 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 22 augustus 2025 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt.
Op 26 augustus 2025 is het standpunt van appellant ontvangen
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 26 augustus 2025 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 5.209,05;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de beslissing waarvan beroep blijkt dat de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig acht voor toekenning van een deel van het verzochte en dat deze beslissing als volgt is gemotiveerd.

Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijkt het volgende. Op grond van de
bevindingen van het politieonderzoek lag er een serieuze verdenking wegens witwassen
tegen verzoeker die om een uitleg vroeg. Nadat verzoeker een toelichting en nadere stukken
had verstrekt, wilde het Openbaar Ministerie aanvankelijk de vervolging doorzetten en de
zaak op zitting plannen. Door verzoeker is toen verzocht om de zaak te seponeren. Partijen
hebben vervolgens onderhandeld over een compromis waarbij de afstand van de auto
centraal stond. De kosten van de juridische bijstand van verzoeker is op geen enkel moment
bij die onderhandeling betrokken. Het Openbaar Ministerie heeft uiteindelijk om praktische
redenen niet voor een transactie gekozen maar voor het door de raadsvrouw van verzoeker
bepleite sepot, onder voorwaarde van afstand van de auto.
Het geheel van omstandigheden in aanmerking nemende, acht de rechtbank het enkel billijk
om de kosten van de juridische bijstand van verzoeker te vergoeden vanaf het moment dat
partijen hebben onderhandeld over een wijze van afdoening die een terechtzitting zou
voorkomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat een eventuele vergoeding van de kosten van
rechtsbijstand op geen enkel moment betrokken is bij de door beide partijen bij die
onderhandeling te maken afweging, hetgeen volgens de rechtbank gelet op de aard van die
gesprekken wel voor de hand had gelegen.
Op de zitting heeft de raadsvrouw toegelicht dat de kosten van de raadsvrouw zoals die
blijken uit de specificatie bij haar factuur vanaf 2 februari 2024 betrekking hebben op de
gesprekken met het Openbaar Ministerie over een alternatieve afdoening van de zaak. Het
Openbaar Ministerie heeft dit niet betwist. De rechtbank gaat daarmee uit van een
tijdsbesteding die voor vergoeding in aanmerking komt van 6,2 uur (x € 210 per uur =
€ 1.365,- + 21% BTW), hetgeen resulteert in een totaal te vergoeden bedrag aan kosten voor
juridische bijstand van € 1.575,42.”
De advocaat-generaal heeft geadviseerd tot afwijzing van het hoger beroep.
Het hof stelt vast dat tegen appellant een verdenking van witwassen heeft bestaan en dat de zaak door de officier van justitie naar aanleiding van een OM-hoorzitting is geseponeerd, onder de voorwaarde dat appellant afstand deed van de onder hem in beslag genomen auto (die inmiddels ten gelde was gemaakt). Appellant is vanaf het begin van de verdenking bijgestaan door een advocaat. Er zijn – gegeven de afloop van deze zaak - gronden van billijkheid om de kosten van de raadsman te vergoeden. Dat dit sepot tot stand is gekomen ‘op voorstel van de advocaat’ en dat daarbij niet tevens is gesproken over de kosten van rechtsbijstand doet hier niets aan af. Niet is immers gebleken dat appellant op enig moment uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht ex artikel 530 Sv Pro een verzoek te doen tot vergoeding van de kosten voor een raadsman. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding voor matiging.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 5.209,05.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 6.229,05 (zesduizend tweehonderdnegenentwintig euro en vijf cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.W.T. Klappe en J.B. Duinkerken, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is – bij afwezigheid van de voorzitter - ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 september 2025.
De oudste raadsheer beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 6.229,05 (zesduizend tweehonderdnegenentwintig euro en vijf cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Coumans & Van Gaalen Strafrechtadvocaten o.v.v. [verzoeker]
Amsterdam, 23 september 2025.
mr. A.W.T. Klappe