De betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor witwassen, valsheid in geschrift en oplichting, waarbij de rechtbank een ontnemingsvordering oplegde van €82.603,35. In hoger beroep vernietigt het hof dit vonnis en stelt het de ontnemingsvordering vast op €47.800,00, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 oktober 2012 tot 8 augustus 2014.
Het hof heeft het financiële onderzoek en de contante ontvangsten en uitgaven van de betrokkene nauwkeurig geanalyseerd. Daarbij zijn contante uitgaven zoals huur, autokosten, cadeaus en betalingen aan derden meegenomen, terwijl privé-uitgaven zoals merkkleding en uitgaanskosten buiten beschouwing zijn gelaten. Het verschil tussen legale contante ontvangsten en werkelijke contante uitgaven vormt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarnaast constateert het hof een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar in hoger beroep, maar aangezien deze termijnoverschrijding reeds in de strafzaak is verdisconteerd, leidt dit niet tot verdere matiging van de ontnemingsvordering.
Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van €47.800,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 juli 2025.