In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van verdachte behandeld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De politierechter sprak verdachte vrij van het eerste tenlastegelegde feit en veroordeelde hem voor het tweede.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van het eerste feit, conform artikel 404, vijfde lid, Sv, dat hoger beroep tegen vrijspraak uitsluit. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de politierechter, waarbij het de woorden "in vereniging" uit de strafmotivering verwijderde zonder dat dit de beslissing aantastte.
Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot een gevangenisstraf van vier maanden voor het tweede feit en de gedeeltelijke toewijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Het arrest werd gewezen na behandeling van het hoger beroep op 16 januari 2025 en uitspraak op 30 januari 2025.
De griffier kon het arrest niet medeondertekenen, maar het hof verklaarde zich verenigd met het vonnis van de politierechter en zal de bewijsmiddelen nader uitwerken bij eventueel cassatieberoep. Het arrest bevestigt de strafrechtelijke beoordeling en laat de opgelegde straf in stand.