In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en een nieuwe vaststelling gedaan van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde. De rechtbank had eerder een bedrag van €2.011.496,00 vastgesteld, maar het hof kwam na beoordeling van de stukken en het horen van partijen tot een lager bedrag van €305.340,00.
De zaak betreft een veroordeelde die in meerdere strafzaken is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder medeplegen van het afleveren van cocaïne, deelname aan een criminele organisatie, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend over de periode van 1 juni 2003 tot en met 16 januari 2018, waarbij het hof met name het salaris en het gebruik van een geleasede BMW als voordeel aanmerkte.
De advocaat-generaal had in hoger beroep een kasopstelling gepresenteerd die een hoger bedrag suggereerde, maar het hof volgde deze niet vanwege onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheden over legale inkomsten en beginsaldo. Daarnaast werd de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep vastgesteld, maar dit leidde niet tot matiging van het ontnemingsbedrag.
Het hof legde de verplichting tot betaling van €305.340,00 aan de staat op en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen. Dit arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2025.