Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Naar aanleiding van uw e-mail van 6 december 2019 berichten wij u het volgende. Aangezien uw voorstellen tot afkoop pas in de toekomst gerealiseerd kunnen worden gaat onze voorkeur uit naar een (tijdelijke) betalingsregeling van € 250,00 per maand. In een later stadium kunnen wij dan alsnog een voorstel tot afkoop bespreken.(…)”.
de (tijdelijke) betalingsregeling was onderdeel van de afkoopregeling. Hierover heb ik de [naam] ook gemeld - en hij kon hiermee ook instemmen - dat de winst uit mijn fotozaak onvoldoende bleek om aan dat bedrag te voldoen. Mijn echtgenote en ik krijgen een BBZ-uitkering en wij komen, verre, van een gezonde winst. Uw mededeling dat het voorstel tot afkoop pas in de toekomst gerealiseerd kan worden, is een gegeven dat ook de ING, de [naam] , mee had genomen in zijn overweging om akkoord te gaan met het door mij gedane voorstel. Alleen moet dat nog in een vorm worden gegoten en dan komt Vesting Finance in beeld.(…)”.
Wij hebben contact gehad met de [naam] van de ING. Hij heeft aangegeven dat de voorstellen niet concreet zijn vastgelegd en bevestigd. Wij stellen hierbij dus nogmaals voor om een (tijdelijke) regeling van € 250,00 p/m te treffen. In een later stadium kunnen wij dan alsnog een voorstel tot afkoop bespreken, waarbij er uiteraard ook rekening wordt gehouden met de betalingen die dan reeds gedaan zijn. (…)”.
Wij hebben van u nog geen reactie ontvangen op onze e-mail van 17 december 2019 (zie bijlage). Graag vernemen wij alsnog binnen 14 dagen van u. Bij geen reactie hervatten wij onze incassomaatregelen.(…)”.
Zoals wij al in 2018 aan de [naam] meedeelden, kan op dit moment geen sprake zijn van een aflossing, omdat de inkomsten uit onze fotozaak onvoldoende zijn om af te lossen. (…). Ik wil heel graag een betalingsregeling over een termijn van bijvoorbeeld 3 jaar overeenkomen, maar u moet dan denken aan bedragen van maximaal 50 euro per maand. (…).”
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Beoordeling
helevordering van ING inhouden en dus betrekking hebben op een groter bedrag dan waarover de kantonrechter bevoegd is te oordelen. Gelet hierop had de kantonrechter, naar aanleiding van het verweer van [appellanten] , de zaak op de voet van art. 71 lid 1 Rv Pro moeten verwijzen naar een andere kamer dan de kamer voor kantonzaken. Tegen het achterwege laten van deze verwijzing staat echter op grond van art. 71 lid 5 Rv Pro geen hogere voorziening open. Hoewel [appellanten] deze grief dus op zichzelf terecht hebben aangevoerd, kan deze niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.
in een later stadium (…) alsnog een voorstel tot afkoop bespreken.” Voor zover [appellanten] op basis van hun eerdere (telefonische) contacten met de [naam] in juli 2018 in de veronderstelling zouden hebben verkeerd dat een tijdelijke betalingsregeling alleen ook toereikend zou zijn – hun eigen voorstel van 2 augustus 2018 duidt daar in elk geval niet op – heeft ING in de e-mails van 10 en 17 december 2019 een eventueel misverstand daarover in elk geval uit de weg geruimd.
op dit moment” geen sprake van kan zijn. Uit niets is verder gebleken dat ING dat anders heeft begrepen en dat zij een voorstel tegen finale kwijting heeft aanvaard. De brief van 23 maart 2020 waarop [appellanten] zich in dit verband hebben beroepen vermeldt daaromtrent niets. Gegeven de voorafgaande correspondentie hebben [appellanten] die brief in redelijkheid ook niet zo kunnen en mogen begrijpen dat de tweede voorwaarde, een toekomstige betaling van een bedrag ineens, niet langer aan de orde was en dat zij reeds na betaling van 36 maandtermijnen van € 50,- volledig gekweten zouden zijn. In dat verband weegt mee dat ING een eerder voorstel van [appellanten] , waarbij in ieder geval € 6.500,- zou worden betaald, had afgewezen. Ook het feit dat het aldus aangeboden totaalbedrag van € 1.800,- slechts een fractie bedroeg van de openstaande hoofdsom van ruim € 250.000,- maakt dat [appellanten] er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet zonder meer van mochten uitgaan dat ING ermee akkoord was dat [appellanten] finaal zouden zijn gekweten wanneer zij alleen de door hen voorgestelde tijdelijke betalingsregeling zouden nakomen. Ten slotte is, gelet op het voorgaande, van een schending van haar zorgplicht of onrechtmatig handelen van ING in verband met de betalingsregeling geen sprake.