De zaak betreft een hoger beroep tegen een vrijspraak door de politierechter inzake een inbraak op 18 november 2024 in een restaurant te Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van het samen met een ander inbreken door middel van braak en het wegnemen van laptops, keukenmessen, speakers, chocoladetaarten, telefoonopladers, koffiebonen en drankflessen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof baseerde zijn oordeel mede op camerabeelden waarop twee personen te zien waren die goederen uit het restaurant meenamen, en op een bloedspoor op het raam met het DNA van verdachte. Verdachte gaf een ongeloofwaardige verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA en ontkende zelf in het restaurant te zijn geweest, maar het hof verwierp dit verweer.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander de inbraak pleegde en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. De straf is mede gebaseerd op eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en de ernst van het feit.