In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor diefstal waarbij hij met valse sleutels en een bankpas van het slachtoffer contactloos betaalde. De verdachte was in eerste aanleg deels vrijgesproken en veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voor het bewezen verklaarde feit.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak wegens wettelijke beperkingen. De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan vanwege vermeende vormverzuimen bij getuigenverhoren, maar dit werd verworpen omdat het procesrechtelijk eerlijk was verlopen.
Het hof achtte de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en wees bewijsuitsluiting af. De verdachte werd veroordeeld voor de diefstal van ongeveer €84,14, gepleegd door middel van valse sleutels en contactloos betalen met de bankpas van het slachtoffer.
Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en het verleden van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van één week op, lager dan de eis van de advocaat-generaal. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet meer behandeld omdat deze niet in hoger beroep was meegenomen.