Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van zijn pleegbroer en diens vriendin, alsmede voor drie winkeldiefstallen. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van een tenlastelegging in een van de zaken, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep voor dat onderdeel.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank voor het merendeel van de feiten en de beslissingen, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank had zes maanden gevangenisstraf opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigde het hof de onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot vier maanden.
De feiten betroffen meerdere ernstige delicten in korte tijd, waaronder mishandeling en bedreiging van de pleegbroer en diens vriendin, die hierdoor lichamelijk letsel en gevoelens van angst en onveiligheid ondervonden. Daarnaast pleegde verdachte drie winkeldiefstallen en vernielde twee keer een deur, wat het respect voor eigendom aantastte en een beangstigende situatie creëerde. De verdachte had een strafblad met eerdere veroordeling voor bedreiging en kampte met een hardnekkige alcoholverslaving.
Het hof overwoog dat ondanks de persoonlijke omstandigheden en het gebruikelijke oriëntatiepunt van een geldboete voor dergelijke misdrijven, de ernst en hoeveelheid feiten een gevangenisstraf rechtvaardigden. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met tweeënhalf jaar leidde tot matiging van de straf. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf.