ECLI:NL:GHAMS:2025:309
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens intrekking hoger beroep na aanvang zitting
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 16 januari 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 25 juli 2024. De verdachte had hoger beroep ingesteld, maar via een e-mail en een akte van 6 januari 2025 heeft zijn raadsman het hoger beroep ingetrokken. Omdat de zitting in hoger beroep reeds op 17 september 2024 was aangevangen, was intrekking van het hoger beroep niet meer mogelijk.
Het hof heeft vervolgens de vordering van de advocaat-generaal gevolgd om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er was geen sprake van een rechtens te respecteren belang dat een nadere behandeling van de zaak zou rechtvaardigen.
Daarom heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit mr. J. Piena, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.J.A. Duker.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking na aanvang zitting.