ECLI:NL:GHAMS:2025:3101
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toedeling huurrecht voormalige echtelijke woning na echtscheiding en belangenafweging
Partijen zijn in 2004 gehuwd in gemeenschap van goederen en hun huwelijk is op 15 mei 2025 ontbonden. De zaak betreft de toedeling van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning, de verdeling van de huwelijksgemeenschap en een voorwaardelijk verzoek om partneralimentatie.
De rechtbank had het huurrecht aan de vrouw toegewezen en de eenmanszaak van de man aan hem, waarbij hij de schulden voor eigen rekening moest nemen. De man ging in hoger beroep en verzocht het huurrecht aan hem toe te wijzen, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud te ontvangen en een deel van de schuldenlast van de eenmanszaak aan de vrouw toe te rekenen, onder de voorwaarde dat het huurrecht aan de vrouw zou worden toegedeeld.
Het hof overwoog dat beide partijen een groot belang hadden bij het huurrecht, maar dat het belang van de man zwaarder woog vanwege zijn economische gebondenheid aan de locatie van zijn onderneming, zijn fysieke beperkingen en het belang van de parkeervergunning. De vrouw heeft een hoger inkomen en meer woonmogelijkheden. Het hof wees het huurrecht toe aan de man en gaf de vrouw een termijn van drie maanden om vervangende woonruimte te vinden.
De overige verzoeken van de man behoefden geen behandeling meer omdat deze voorwaardelijk waren verbonden aan toedeling van het huurrecht aan de vrouw. Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover het het huurrecht betrof en bepaalde dat de man vanaf 19 februari 2026 huurder zal zijn van de woning.
Uitkomst: Het huurrecht van de voormalige echtelijke woning wordt toegewezen aan de man met ingang van 19 februari 2026.