Partijen zijn in 1997 getrouwd en in 2015 gescheiden waarbij partneralimentatie en kinderalimentatie werden vastgesteld. In 2019 sloten zij een aanvullend convenant waarin de partneralimentatie werd verlaagd en indexering werd overeengekomen. De man betwistte de wettelijke indexering en stelde dat de vrouw meer verdiende en zijn alimentatieplicht moest vervallen.
Het hof oordeelt dat de wettelijke indexering onmiskenbaar in het convenant is opgenomen en dat de man onvoldoende heeft gesteld om het tegendeel te bewijzen. Ook is geen sprake van een stilzwijgende afwijking van de indexering. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de behoefte van de vrouw is verbleekt, aangezien haar netto besteedbaar inkomen in 2023 nagenoeg gelijk was aan het inkomen waarop de alimentatie was gebaseerd.
De rechtbank heeft de verzoeken van de man terecht afgewezen en het hof bekrachtigt deze beslissing. De man wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 2.790,-. Het hof wijst het meer of anders verzochte af.