Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
locatie Haarlem,
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2013;
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om de zorgregeling en het gezag over drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], na een eerdere beschikking van de rechtbank Noord-Holland. De vader had verzocht om gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3], wat door de rechtbank was toegewezen, terwijl het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] was afgewezen. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, waarbij zij een beperktere zorgregeling en een wijziging van het gezag vroeg. De vader was het niet eens met de verzoeken van de moeder en vroeg om bekrachtiging van de eerdere beschikking.
Tijdens de zitting in hoger beroep werd de communicatie tussen de ouders besproken, evenals de zorgen van de moeder over de veiligheid van de kinderen bij de vader. De raad voor de kinderbescherming adviseerde om het gezamenlijk gezag te handhaven, omdat de vader betrokken is bij het leven van de kinderen. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stelling dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen zou zijn. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank met betrekking tot het gezag en bepaalde dat de zorgregeling zou worden aangepast, waarbij de kinderen om de twee weken bij de vader verblijven, met de mogelijkheid voor [minderjarige 1] om zelf te beslissen over haar verblijf op zondag.
De beslissing van het hof benadrukt het belang van gezamenlijke betrokkenheid van beide ouders bij de opvoeding van de kinderen, en dat de zorgen van de moeder niet voldoende onderbouwd waren om het gezamenlijk gezag te ontzeggen. De zorgregeling werd aangepast om tegemoet te komen aan de wensen van de kinderen, waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt.