ECLI:NL:GHAMS:2025:3215

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
23-000454-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor jarenlang plegen van ontuchtige handelingen bij minderjarige neef

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, een (oud)oom, is veroordeeld voor het jarenlang plegen van ontuchtige handelingen bij zijn (klein)neef, die op het moment van de feiten jonger was dan 16 jaar. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat de aangifte zou zijn gebaseerd op 'hervonden herinneringen'. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar waren en voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen. Het hof achtte meer handelingen en tijdstippen bewezen dan de rechtbank en legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd een vordering van de benadeelde partij toegewezen tot € 746,20 materieel en € 15.000,00 immaterieel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000454-23
datum uitspraak: 2 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-108915-21 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1970,
adres: [adres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, namelijk alleen tegen de beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partij en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2.Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de aangifte een hervonden herinnering betreft, nu niet direct na het incident aangifte is gedaan. Omdat de betrouwbaarheid van dit soort aangiften laag is, had het daarom voor de hand gelegen om de Landelijk Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) te raadplegen, voordat tot vervolging werd overgegaan. Aangezien dit niet is gebeurd, is (onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2012, ECLI:NL:2012:BU3452) het recht op een eerlijk proces als genoemd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden.
2.2.
Overwegingen van het hof
De verdediging heeft ter onderbouwing van haar betoog verwezen naar voornoemd arrest van de Hoge Raad. In dat arrest wordt overwogen dat in het geval van ‘hervonden herinneringen’ volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (tot 1 januari 2009 aangeduid met nummer 2005A001 en na die datum met nummer 2008A031) de officier van justitie de verplichting wordt opgelegd om, indien een aangifte aspecten vertoont van hervonden herinneringen, de LEBZ te consulteren alvorens beslissingen in het opsporingsonderzoek worden genomen. Een dergelijke consultatie is in deze gevallen dwingend voorgeschreven. Bijlage 3 bij de Aanwijzing met nummer 2008A031 stelt dat onder ‘hervonden herinneringen’ moeten worden verstaan: ‘herinneringen die gedurende lange tijd afwezig zijn en daarna worden hervonden, bijvoorbeeld tijdens behandelingen door hulpverleners’. De Aanwijzing met nummer 2008A031 is opgevolgd door de Aanwijzing met nummer 2010A026, geldend van 1 januari 2011 tot en met 30 april 2016. In de Aanwijzing met nummer 2010A026 wordt gesteld dat ‘we spreken van een hervonden herinnering als iemand aangeeft dat hij in het verleden een ingrijpende gebeurtenis heeft meegemaakt met een belangrijke persoonlijke betekenis, dat hij zich dit enkele jaren in het geheel niet heeft kunnen herinneren, maar dat de herinnering daarna geheel of gedeeltelijk toegankelijk is geworden en (nu) door hem als authentiek en betrouwbaar wordt ervaren’, waarbij het hervinden bijvoorbeeld kan plaatsvinden in therapie, maar ook daarbuiten. De Aanwijzing met nummer 2010A026 is opgevolgd door de Aanwijzing zeden met nummer 2016A004, geldend van 1 mei 2016 tot en met 30 juni 2024. Hierin wordt niet over hervonden herinneringen gesproken.
Het hof is van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft betoogd, gelet op de hierboven in de Aanwijzingen genoemde definities van hervonden herinneringen in deze zaak geen sprake is van dergelijke hervonden herinneringen. Tenlastegelegd is immers seksueel misbruik gepleegd van
9 mei 2012 tot en met 8 mei 2020, waarover [benadeelde partij] enkele maanden later – op
3 november 2020 – een verklaring heeft afgelegd tegenover de politie. Gelet op dit korte tijdsverloop en de overige inhoud van het dossier is er naar het oordeel van het hof geen enkele indicatie dat bij de aangever sprake is van herinneringen die gedurende enige periode afwezig zijn geweest en later weer zijn hervonden. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, onder 1 tenlastegelegd dat:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 mei 2012 tot en met
8 mei 2020 te [plaats] , gemeente Haarlemmermeer, en/of te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer en/of in de gemeente Bloemendaal, in elk geval in Nederland, en/of in Spanje met [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2004), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit
  • het betasten van de penis van die [benadeelde partij] , en/of
  • het aftrekken van die [benadeelde partij] , en/of
  • het pijpen van die [benadeelde partij] , en/of
  • het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij] , en/of
  • het zich laten aftrekken door die [benadeelde partij] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

5.Bewijsoverwegingen

5.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 1 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde kunnen worden bewezen. De verklaringen van de aangever zijn in hun geheel betrouwbaar te achten en vinden voldoende steun in ander bewijs. In dat verband heeft zij gewezen op de verklaringen van de tantes van de aangever en de verklaring van getuige [getuige 1] .
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de aangever onbetrouwbaar en inconsistent heeft verklaard, wat tot vrijspraak dient te leiden. Indien de verklaringen van de aangever wel betrouwbaar en consistent worden geacht, is er onvoldoende steunbewijs. In dat verband heeft de raadsman gewezen op de getuigenverklaring van [persoon] , de zorgcoördinator van de school van de aangever, welke verklaring de rechtbank onvoldoende heeft geacht als steunbewijs voor alle aan de verdachte verweten seksuele handelingen. Het steunbewijs zou verder moeten bestaan uit de verklaring van de verdachte dat hij op een kort moment in de badkamer is geweest terwijl de aangever op dat moment een erectie had, maar uit die verklaring blijkt niet van enig seksueel contact.
5.3.
Overwegingen van het hof
5.3.1.
Inleiding
Aangever [benadeelde partij] (hierna: de aangever), geboren op [geboortedag 2] 2004, logeerde vanaf zijn achtste tot zijn zestiende levensjaar regelmatig bij de verdachte en zijn gezin. De verdachte, een (oud)oom van de aangever, werd door de aangever als vader beschouwd. De aangever heeft verklaard dat hij tijdens het verblijf in de woning van de verdachte (gedurende die acht jaren op verschillende locaties in Nederland) door de verdachte ‘tientallen keren’ op een seksuele wijze is aangeraakt. Dit bestond voor het grootste gedeelte uit het aanraken en aftrekken van het geslachtsdeel van de aangever. Twee keer heeft aangever hetzelfde bij de verdachte moeten doen en één keer heeft de verdachte de aangever met de mond bij het geslachtsdeel aangeraakt.
De verdachte heeft de feiten geheel ontkend.
Het hof ziet zich, gelet op het voorgaande, eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangever betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs zijn. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaringen van de aangever voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
5.3.2.
Betrouwbaarheid van de aangever
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever overweegt het hof dat hij op meerdere momenten verklaringen heeft afgelegd. Op 9 september 2020 heeft hij over de ontucht verteld aan een zorgcoördinator van zijn school, genaamd [persoon] . Zij nam tijdens een afspraak met de aangever waar dat de aangever na een bepaald incident op school buitenproportioneel verdrietig werd en vroeg zich af of dit door iets anders werd veroorzaakt. Zij heeft verschillende vragen aan de aangever gesteld. Op haar vragen of hij weleens op een seksuele manier was aangeraakt, werd de aangever zeer emotioneel en antwoordde hij met ‘ja’. Zij schrok van de reactie van de aangever. Hij kroop in elkaar als een kind, begon verschrikkelijk hard te huilen, had geen controle meer over zijn emoties, trok zijn benen naar zich toe, was verschrikkelijk overstuur en zij zag dat hij aan het beven was. Hij was zo hevig aan het huilen dat hij bijna moest hyperventileren. Vervolgens verklaarde hij dat dit door de man van de zus van oma genaamd [verdachte] was gedaan en dat dit plaatsvond vanaf zijn achtste jaar, of dat het al acht jaar duurde. Vervolgens heeft de aangever twee verklaringen bij de politie afgelegd. Op 3 november 2020 heeft hij verklaard dat hij in zijn 8e of 9e levensjaar in Nederland kwam wonen en toen regelmatig bij de verdachte logeerde. Dit gebeurde ongeveer één keer per week of één keer per twee weken, tot zijn 16e levensjaar. De eerste ontuchtige handelingen vonden plaats toen de aangever naast de verdachte en zijn nichtje in bed een filmpje lag te kijken. De verdachte raakte toen aangevers geslachtsdeel aan onder de deken, over de kleding. Daarna gebeurde het steeds vaker en de verdachte ging steeds een stapje verder. Later gebeurde het onder de kleding en daarna moest de aangever zijn kleding uitdoen van de verdachte. Hij deed het als ze alleen waren. In totaal gebeurde het wel tientallen keren, waarbij het voor het grootste deel bestond uit het aanraken van aangevers geslachtsdeel door de verdachte. Twee keer moest de aangever het geslachtdeel van de verdachte aanraken en één keer heeft de verdachte zijn mond aan het geslachtsdeel van de aangever gezet. Ten aanzien van deze laatste handelingen heeft de aangever over één specifiek incident verklaard in de douche in het huis in [plaats] . Op 10 december 2020 heeft de aangever een tweede verklaring afgelegd, waarin hij heeft herhaald dat de orale seks één keer is gebeurd en dat hij daarmee pijpen bedoelde, in de douchte in de woning in [plaats] . Ten aanzien van het aanraken van het geslachtsdeel ging het om het masturberen, waarbij met de hand heen en weer werd bewogen. Dit moest de aangever twee keer bij de verdachte doen. De verdachte is niet klaargekomen. De aangever heeft ook verklaard dat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij het aan niemand mocht vertellen.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen. Gebleken is dat de aangever mede uit schaamte en angst om de familiebanden te beschadigden terughoudend is geweest om over de ontucht te verklaren. Hij heeft slechts enkele maanden na de laatste keer dat het misbruik heeft plaatsgevonden tegen de zorgcoördinator verteld wat er is gebeurd. Daarna heeft hij in zijn verklaringen beschreven wat er is gebeurd en heeft hij aangegeven hoe vaak de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dat de verdachte niet is klaargekomen. In zijn verklaringen is de verdachte in de kern consistent geweest. Ook de manier waarop de aangever tegenover de zorgcoördinator is begonnen met de verklaringen over de ontucht komt authentiek over op het hof. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de aangever de gedragingen van de verdachte bewust heeft willen aandikken. Dat de verklaringen hier en daar weinig gedetailleerd en niet helemaal gelijkluidend zijn, doet naar het oordeel van het hof niet aan de betrouwbaarheid af.
5.3.3.
Steunbewijs
De verklaringen van de aangever worden ondersteund door diverse andere bewijsmiddelen in het dossier.
Ten eerste vindt de verklaring van de verdachte steun in de getuigenverklaring van de zorgcoördinator
[persoon] , zoals hiervoor uiteengezet, die heeft verklaard over de buitenproportioneel hevige emoties die zij waarnam bij de verdachte toen hij aan haar vertelde dat hij seksueel misbruikt was.
Meerdere mensen uit de directe omgeving van de aangever en de verdachte hebben daarnaast verklaard over de emoties die zij waarnamen bij de aangever in verband met zijn relatie met de verdachte. Zo heeft getuige [getuige 2] , een nichtje van de aangever, verklaard dat de aangever ‘altijd boos’ was op [verdachte] en dat de aangever daar (in de woning van de verdachte) vaak moest slapen, terwijl de aangever dat niet wilde. Ook heeft zij verklaard over een keer dat de aangever heel hard moest huilen toen de verdachte tegen de aangever zei dat hij daar moest blijven. Verder heeft zij verklaard dat de aangever heel boos was toen hij in de zomer van 2019 terugkwam van vakantie met onder meer de verdachte en nooit meer met hen op vakantie wilde. Tot slot heeft [getuige 2] na het gesprek met de zorgcoördinator gezien dat de aangever aan het huilen was, zich heel erg schaamde en ‘sorry, het spijt mij’ zei.
Ook een vriendin van de familie van de aangever en de verdachte, die de familie al 16 jaar kent, getuige [getuige 3] , zag heftige emoties op de momenten dat de aangever met de verdachte mee naar huis moest. Zo heeft zij verklaard over een moment, waarop de aangever ‘opvallend hard’ huilde en bij zijn oma wilde blijven toen hij met de verdachte mee moest. Zij heeft daarnaast bepaalde gedragsveranderingen waargenomen bij de aangever: op momenten dat de verdachte en zijn gezin er niet bij waren, was de aangever altijd met anderen in de woonkamer, maar als de verdachte en zijn gezin er waren, ging hij op zichzelf op een kamer spelen. Verder heeft zij verklaard dat het lijkt alsof er na de aangifte een last van aangever is gevallen, omdat hij levendiger is geworden.
Het hof ziet verder steun in de verklaring van de verdachte dat hij op een gegeven moment met de aangever in de badkamer was en dat de aangever onder de douche stond en een erectie had. Ook heeft getuige [getuige 4] , de dochter van de verdachte, verklaard dat het wel eens gebeurde dat er samen met haar vader, moeder en de aangever thuis een film werd gekeken en dat de aangever wel eens een deken over zich heen had tijdens het kijken van een film. Zij heeft verder bevestigd dat de aangever een tijdje moeilijker deed als het ging om het naar de verdachte en zijn gezin toekomen.
Tot slot ziet het hof ook steun voor de verklaringen van de aangever in de omstandigheid dat bij hem door een GZ-psycholoog de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld, waarbij klachten op het gebied van herbelevingen aan het seksueel misbruik, vermijding (denken aan en praten over), overalertheid en negatieve cognities over zichzelf (schuld en schaamte) worden gerapporteerd.
5.3.4.
Conclusie
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de verklaringen van de aangever, die het hof betrouwbaar acht, op relevante onderdelen en in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat van de juistheid van de verklaringen van de aangever uit kan worden gegaan. Anders dan de rechtbank acht het hof dan ook alle onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, en niet slechts het ene incident in de douche. De verweren worden daarmee verworpen.

6.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 9 mei 2012 tot en met 8 mei 2020 in Nederland met [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2004), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit
  • het betasten van de penis van die [benadeelde partij] , en/of
  • het aftrekken van die [benadeelde partij] , en
  • het pijpen van die [benadeelde partij] , en
  • het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij] , en/of
  • het zich laten aftrekken door die [benadeelde partij] .
Wat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

7.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,
meermalen gepleegd.

8.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

9.Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Daarbij heeft de advocaat-generaal een korting van 2 maanden toegepast in verband met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het jarenlang seksueel misbruiken van zijn (klein)neef. Dat misbruik begon toen het slachtoffer acht jaar oud was en duurde tot hij zestien jaar oud was. Het slachtoffer kwam veelvuldig over de vloer bij de verdachte, die hij als een vader beschouwde. Tijdens zijn verblijf bij de verdachte was het slachtoffer als jong kind volledig afhankelijk van de verdachte (en zijn gezin). Het slachtoffer had zich bij de verdachte veilig moeten kunnen voelen en hem moeten kunnen vertrouwen. De verdachte heeft gedurende deze lange periode op geen enkele wijze acht geslagen op het welzijn van het slachtoffer en heeft zich alleen door zijn eigen lustgevoelens laten leiden. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen een buitengewoon ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, maar heeft hij ook het vertrouwen dat hij in zijn (oud)oom had moeten kunnen hebben in zeer ernstige mate geschaad en heeft hij een zeer onveilige situatie voor hem gecreëerd.
Het is algemeen bekend dat een minderjarig slachtoffer van seksueel misbruik daarvan gedurende zeer lange tijd ernstige nadelige psychische gevolgen kan ondervinden, met name als dat wordt gepleegd door iemand in wie hij vertrouwen mocht stellen. In het geval van het slachtoffer blijkt dit ook uit de omstandigheid dat de aangever therapie voor PTSS heeft moeten volgen. Deze klachten zijn blijkens een brief van de psycholoog van 22 juli 2024 inmiddels in remissie, maar het slachtoffer ondervindt daarvan nog altijd restklachten. Het ligt dan ook in de rede dat het slachtoffer nooit helemaal los zal komen van de negatieve gevolgen van het handelen van de verdachte.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat is gepleegd. Met de advocaat-generaal, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden.
In het kader van het bepalen van de duur van de uiteindelijk op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, houdt het hof rekening met de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 13 februari 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 2 december 2025 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met ruim 9 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 2 maanden te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

10.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

10.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 34.361,20 en bestaat uit € 4.361,20 aan materiële schade en
€ 30.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.361,20, waarvan € 361,20 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, maar heeft verzocht hem ten aanzien van € 3.615,00 aan materiële schade (te weten toekomstige medische (reis)kosten) niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
10.2.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 746,20 en dat ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 15.000,00 billijk is.
10.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade niet gemotiveerd betwist en heeft verzocht de vordering tot vergoeding van immateriële schade ernstig te matigen en aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank.
10.4.
Overwegingen van het hof
10.4.1.
Materiële schade
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde op de wijze als voormeld heeft begaan. Daarmee heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij en is hij aansprakelijk voor de schade die daaruit rechtstreeks is voortgevloeid. Het op de materiële schade ziende deel van de vordering bestaat uit medische reiskosten (€ 361,20) en het eigen risico van 2024 (€ 385,00). Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks deze schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, in totaal € 746,20, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Voor het overige is de vordering tot vergoeding van materiële schade niet (voldoende) onderbouwd. In zoverre kan de benadeelde partij voor het overige in de vordering tot vergoeding van materiële schade niet worden ontvangen.
10.4.2.
Immateriële schade
Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als het gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit een brief van de GZ-psycholoog blijkt dat bij benadeelde partij PTSS is vastgesteld en dat hij daarvoor EMDR-therapie heeft gevolgd. Hiermee is genoegzaam aangetoond dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel, zodat – mede in aanmerking genomen de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde – sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof acht het door de advocaat-generaal genoemde bedrag van
€ 15.000,00 billijk en zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom nu in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
10.4.3.
Schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

12.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.746,20 (vijftienduizend zevenhonderdzesenveertig euro en twintig cent) bestaande uit € 746,20 (zevenhonderdzesenveertig euro en twintig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.746,20 (vijftienduizend zevenhonderdzesenveertig euro en twintig cent) bestaande uit € 746,20 (zevenhonderdzesenveertig euro en twintig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 113 (honderddertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente
voor de materiële schadeop:
  • 22 september 2022 over een bedrag van € 361,20 ter zake van medische reiskosten;
  • 29 februari 2024 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2024;
en
voor de immateriële schadeop 9 mei 2016.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. R.A.E. van Noort en mr. A.H. Tiemens, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 december 2025.
[...]