In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 4 december 2025 uitspraak gedaan na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden. De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin de verdachte was veroordeeld voor belaging. De politierechter had de verdachte op 23 augustus 2022 veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bijzondere voorwaarden, en had een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de benadeelde partij. De verdachte ging in hoger beroep, waarna het gerechtshof op 24 mei 2023 het vonnis vernietigde en opnieuw recht deed, met een voorwaardelijke taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad vernietigde op 28 januari 2025 het arrest van het gerechtshof, maar alleen wat betreft de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel, en verwees de zaak terug naar het hof voor herbeoordeling.
Tijdens de zitting op 20 november 2025 heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van € 3.000,00 behandeld. Het hof oordeelde dat de benadeelde partij als gevolg van de belaging door de verdachte immateriële schade had geleden. De verdachte had zich gedurende een lange periode hinderlijk in de nabijheid van de benadeelde partij opgehouden, wat leidde tot ernstige inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer en psychisch welzijn. Het hof oordeelde dat de benadeelde partij recht had op een schadevergoeding van € 1.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, en legde een schadevergoedingsmaatregel op. Voor het overige werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Het hof benadrukte dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij voldoende waren om de toekenning van immateriële schadevergoeding te rechtvaardigen.