Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:324

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
9 februari 2025
Zaaknummer
000520-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot wegens onvoldoende nationaal belang

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland die zijn verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand had afgewezen. De rechtbank had dit gedaan omdat de zaak was geseponeerd vanwege onvoldoende nationaal belang, maar oordeelde dat er geen gronden van billijkheid waren voor vergoeding.

Het hof overweegt dat de onschuldpresumptie vereist dat de motivering van de rechter niet mag impliceren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank had echter impliciet geoordeeld dat de appellant zich schuldig had gemaakt, wat de grens van de oordeelsvrijheid overschrijdt.

Het hof vernietigt daarom de beschikking en kent op grond van artikel 530 Sv Pro een vergoeding toe van in totaal € 5.125,87 voor kosten rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedures in eerste aanleg en hoger beroep.

De beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 21 januari 2025.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van € 5.125,87 toe voor kosten rechtsbijstand na beleidssepot.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000520-24 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-313414-22
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2024 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M.M.J. Nuijten,
Spaarndamseweg 120 A11, 2021 KA Haarlem.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 2 juli 2024 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 1 oktober 2024 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 3 december 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 4.105,87;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek onder a en b afgewezen, omdat gronden van billijkheid voor toekenning ontbreken. Hiertoe wordt – zakelijk weergegeven – overwogen dat de officier van justitie tot een beleidssepot heeft besloten vanwege onvoldoende nationaal belang. Onder verwijzing naar het zich in het dossier bevindend belastend bewijsmateriaal, concludeert de rechtbank dat de strafzaak weliswaar teneinde is gekomen zonder oplegging van een straf of maatregel, maar dat dit niet betekent dat verzoeker ten onrechte als verdachte zou zijn aangemerkt of dat er sprake zou zijn van gebrek aan bewijs.
Het hof overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk).
De motivering van de rechtbank, zoals hiervoor zakelijk is weergegeven, komt impliciet erop neer dat naar het oordeel van de rechtbank de appellant zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een strafrechtelijke norm. Hiermee wordt de grens van de oordeelsvrijheid overschreden. Voor een nader onderzoek naar de bewijsvraag in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige bestaat namelijk geen ruimte, terwijl in onderhavige zaak niet kan worden gesteld dat verzoeker het over zichzelf heeft afgeroepen dat hij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek. Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve vernietigen en opnieuw recht doen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 4.105,87.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 340,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 5.125,87 (vijfduizend honderdvijfentwintig euro en zevenentachtig cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, A.M.P. Geelhoed en N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 21 januari 2025.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 5.125,87 (vijfduizend honderdvijfentwintig euro en zevenentachtig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Advocatenkantoor Nuijten Stichting derdengelden o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 21 januari 2025,
mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.