ECLI:NL:GHAMS:2025:3259

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
23-002119-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onvoldoende zorg voor gevaarlijk huisdier met bijtincident

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, dat op 19 juli 2023 was gewezen. De verdachte, geboren in 1978, werd beschuldigd van onvoldoende zorg voor een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, een Amerikaanse Stafford genaamd [naam 1]. De tenlastelegging betrof een bijtincident dat plaatsvond op 25 oktober 2022, waarbij de hond [naam 1] een andere hond, [naam 2], in de wang heeft gebeten. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen, zoals het dragen van een muilkorf, ondanks eerdere bijtincidenten met de hond. De verdachte had de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat haar hond geen schade kon toebrengen aan anderen. Het hof oordeelde dat er een aanmerkelijk risico bestond dat de hond gevaarlijk was, en dat de verdachte dit risico had moeten onderkennen. De eerdere bijtincidenten en het gedrag van de hond tijdens een gedragstest gaven aanleiding tot deze conclusie. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar. Tevens is de hond [naam 1] onttrokken aan het verkeer, en is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van € 140,76 toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002119-23
datum uitspraak: 1 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 19 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-079351-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 november 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, op of omstreeks 25 oktober 2022 te Beverwijk, in elk geval in Nederland, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van (een) onder haar hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond (van het ras Amerikaanse stafford) genaamd [naam 1] , immers heeft zij, verdachte, die hond onvoldoende aangeroepen en/of weggetrokken en/of zonder muilkorf laten lopen zodat onvoldoende controle en/of toezicht over die hond mogelijk was ten gevolge waarvan [naam 1] , een hond (genaamd [naam 2] ) in zijn wang, in elk geval zijn kop, heeft gebeten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat dit vonnis niet de redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het aan haar tenlastegelegde feit.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De hond van aangeefster ( [naam 2] ) liep los in een gebied waar dat niet was toegestaan.
Oordeel van het hof.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van het onder haar hoede staande gevaarlijke dier, zijnde een hond (Amerikaanse Stafford) met de naam [naam 1] . Voor een bewezenverklaring van dit feit als bedoeld in artikel 425, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is in de eerste plaats vereist dat kan worden vastgesteld dat het dier een gevaarlijk dier betreft.
Voorafgaand aan het incident op 25 oktober 2022 hebben twee bijtincidenten plaatsgevonden waarbij de hond [naam 1] betrokken was. Op 28 april 2021 heeft de hond [naam 1] een andere hond gebeten. Op 24 oktober 2022, een dag voor het onderhavige incident waarbij [naam 1] de hond [naam 2] in de wang heeft gebeten, heeft de hond [naam 1] een voorbijganger uit het niets in de jas gebeten.
Vooropgesteld dient te worden dat een hond niet eerst dan als "gevaarlijk" in de zin van artikel 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin die wetsbepaling worden aangemerkt.
Het hof leidt uit de processtukken het volgende af.
De verdachte heeft verklaard dat zij geen training met haar hond heeft gedaan: een aanvankelijk aangevangen training heeft de verdachte niet afgemaakt en aan een andere training is de verdachte na een eerste kennismaking niet begonnen. De verdachte ziet het als een fout van haarzelf dat zij geen goede training met haar hond heeft gevolgd. Ook heeft ze verklaard dat niet alle vrienden accepteren dat de verdachte met haar hond bij hen thuis komt of andersom.
De verdachte heeft verklaard dat zij er wel over heeft gedacht haar hond een muilkorf om te doen, maar dit niet heeft gedaan omdat de hond dan enger lijkt dan dat hij daadwerkelijk is.
De voormalige vriend van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte en hij zich ervan bewust zijn dat ze [naam 1] kort moeten houden bij andere mannetjeshonden (van gelijke grootte).
Uit de
medische verklaring binnenkomstvolgt dat het gedrag van [naam 1] wantrouwend is en dat sprake is van angstagressie.
Uit
de risicoanalyseuitgevoerd door het risk assessmentteam van de Universiteit van Utrecht op 19 november 2022 volgt de navolgende conclusie:
Tijdens de opslagperiode is [naam 1] door de dierenarts slecht te onderzoeken en behandelen — hij toont dan agressie. Tijdens de gedragstest bijt [naam 1] bij de vriendelijke kennismaking naar de kunsthand en toont (dreig)agressie naar onbekende volwassen personen. Zorgwekkender is zijn gedrag naar de kindpoppen. Hij nadert de kleuterpop, verstart en fixeert en bij de peuterpoppen hapt en bijt hij herhaaldelijk en in de gezichtsregio. De snelheid waarmee hij overgaat op deze agressie en het herhaald bijten, waarbij hij ook zelf actief nadert, duidt op een coping strategie waarbij [naam 1] bijten inzet om zijn omgeving beheersbaar te maken. Op basis van deze gecombineerde bronnen schatten we het risico van [naam 1] naar volwassen personen en kinderen in als zeer hoog. Naar honden toe heeft [naam 1] in elk geval tweemaal schade gemaakt bij bijtincidenten. Naast het huidige bijtincident (bijtletsel wang) zou hij op 28 april 2021 een andere hond hebben gebeten, waarbij deze pootletsel oploopt. Tijdens de opslagperiode toont [naam 1] neutraal of zelfverzekerd dreiggedrag naar andere honden. Tijdens de gedragstest toont [naam 1] agressiegedrag naar de kleine en grote stimulushond, intenser naar de grote stimulushond. Op basis van deze gecombineerde bronnen schatten we het risico van [naam 1] naar andere honden in als zeer hoog. [naam 1] toont gerichtheid op de verzorger en is na het aangaan van een sociale band aanstuurbaar voor de verzorgers en veilig te hanteren. [naam 1] is echter wel een zeer krachtige hond en als hij overgaat tot inzet van agressie nadert hij snel en met kracht. Dit maakt dat [naam 1] een alerte, krachtige en verantwoorde eigenaar nodig heeft om hem in de buitenruimte veilig uit te kunnen laten. De eigenaresse van [naam 1] geeft aan hem terug te willen. Echter, [naam 1] geeft een duidelijk bijtrisico naar kinderen en gezien de zwangerschap van de eigenaresse en het zeer hoge bijtrisico van [naam 1] naar kinderen, lijkt terugplaatsing te risicovol. Herplaatsbaar is [naam 1] echter evenmin. Vooral zijn hoge bijtrisico naar kinderen en andere honden, kan en wil een herplaatsende instantie niet overdoen op een mogelijke adoptant. Daarnaast zal de kans op een herplaatsing onder de noodzakelijke stringente, cumulatieve en permanente voorwaarden, zoals een aanlijn- en muilkorfplicht, niet (na)bij kinderen en niet (na)bij andere dieren, zodanig klein zijn dat [naam 1] dan uitzichtloos wachten in een opvangsituatie rest, wat een hoog dierenwelzijnsrisico geeft. Daarmee lijkt voor [naam 1] euthanasie die enige dierenwelzijnsvriendelijke optie die rest.
Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat er een aanmerkelijk risico bestond dat hond [naam 1] zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als 'gevaarlijk' in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2 Sr moet worden aangemerkt.
Het door verdachte ingebrachte rapport van gedragsbioloog [persoon 1] d.d. 5 maart 2023 en de ongedateerde notitie van mevr. [persoon 2] , directrice dierenambulance de Ronde Venen, die de verdediging heeft ingebracht, doen aan deze conclusie niet af.
Als eigenaar van de hond [naam 1] droeg de verdachte de verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat haar hond geen schade kon toebrengen. De verdachte had zeggenschap over de wijze waarop haar hond onschadelijk moest worden gehouden. De verdachte heeft hier zelf in het politieverhoor over verklaard dat het haar wegens haar zwangerschap niet goed lukte om haar hond mee te nemen of los te rukken met de riem.
Het hof stelt vast dat de hond [naam 1] de hond [naam 2] in zijn wang heeft gebeten. De verdachte was bekend met de eerdere bijtincidenten, en heeft desondanks bewust er voor gekozen om de hond [naam 1] op 25 oktober 2022 zonder muilkorf uit te laten. Het hof is van oordeel dat het in dit geval noodzakelijk was om de hond [naam 1] te muilkorven gelet op zijn voorgeschiedenis. De verdachte is niet in staat geweest om voldoende controle te houden over de hond [naam 1] , waardoor het bijtincident eventueel voorkomen had kunnen worden. De door de verdediging opgeworpen stelling dat het onderhavige bijtincident zich mogelijk heeft voorgedaan in een niet-losloopgebied pleit de verdachte niet vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij, op 25 oktober 2022 te Beverwijk, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond (van het ras Amerikaanse stafford) genaamd [naam 1] , immers heeft zij, verdachte, die hond onvoldoende weggetrokken en zonder muilkorf laten lopen zodat onvoldoende controle en/of toezicht over die hond mogelijk was ten gevolge waarvan [naam 1] , een hond (genaamd [naam 2] ) in zijn wang, heeft gebeten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
onvoldoende zorg dragen voor een onder haar hoede staand gevaarlijk dier

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Wat betreft het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen tot onttrekking aan het verkeer van de hond [naam 1] .
De raadsman heeft in zijn subsidiair standpunt gevorderd de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman aangevoerd dat hier geen beslissing over dient te komen nu het beslag is geëindigd door de ontijdige dood van de hond [naam 1] .
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft als eigenaar van een gevaarlijke hond onvoldoende zorg gedragen om te voorkomen dat de hond [naam 1] een andere hond zou bijten. In het bijzonder heeft de verdachte nagelaten de hond [naam 1] tijdens het uitlaten te voorzien van een muilkorf, ondanks eerdere recente bijtincidenten. Daardoor heeft de hond [naam 1] een andere hond een verwonding kunnen toebrengen, die een dierenartsbehandeling noodzakelijk maakte.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde en door de kantonrechter opgelegde straf, een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het hof acht geen termen aanwezig voor toepassing van een rechterlijk pardon. De voorwaardelijke taakstraf beoogt immers te voorkomen dat opnieuw een incident van deze aard zich zal voordoen, hetgeen bij het toepassing geven aan artikel 9a Sr ontbreek

Beslag

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven hond [naam 1] . Deze hond zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 140,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f en 425 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- Hond (G1421589).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 140,76 (honderdveertig euro en zesenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 140,76 (honderdveertig euro en zesenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M. Iedema en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 december 2025.
Mrs. M. Iedema en A.W.T. Klappe zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]