ECLI:NL:GHAMS:2025:3260

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
23-001124-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 63 SrArt. 36f SrArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing artikel 9a Sr bij langdurige gevangenisstraf en schadevergoeding

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2021, bevestigt het hof het oordeel van de rechtbank behalve ten aanzien van de strafoplegging en tenuitvoerlegging. De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de vrijspraak voor feit 2, vanwege artikel 404 Sv Pro.

Het hof past artikel 9a Sr toe omdat de verdachte reeds een onherroepelijke gevangenisstraf van 30 jaren heeft opgelegd gekregen, waardoor geen nieuwe straf kan worden opgelegd. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke gevangenisstraffen worden afgewezen gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt deels toegewezen: € 4.173,00 bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering voor het Rolex horloge wordt gegrond verklaard ondanks de verdediging dat bewijs ontbrak. Het hof bevestigt het vonnis voor het overige en legt een gijzelingstermijn van maximaal 51 dagen vast voor niet-nakoming van de schadevergoedingsverplichting.

Uitkomst: Verdachte wordt niet gestraft wegens eerdere 30-jarige gevangenisstraf; schadevergoeding aan benadeelde partij deels toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001124-21
datum uitspraak: 1 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 13-234373-20 en 21-000984-18 (TUL), 23-001545-18 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep van de verdachte is niet beperkt en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen deze vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
- de door de rechtbank gegeven kwalificatie verbeterd leest als:
diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- acht zal slaan op het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
- een ter terechtzitting ingenomen standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering benadeelde partij zal bespreken;
- de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, zal uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Toepassing artikel 9a Wetboek van Strafrecht

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht, en de verdachte schuldig te verklaren zonder het opleggen van een straf of maatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij op 11 september 2023 door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, welke straf met ingang van 10 september 2024 onherroepelijk is geworden. Deze veroordeling heeft tot gevolg dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof ziet gelet op het bepaalde in dat artikel en de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van voornoemde duur, geen mogelijkheid tot het opleggen van een straf.
Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Wetboek van Strafrecht, en aan de verdachte geen straf of maatregel opleggen.

Vordering tenuitvoerlegging (21-000984-18)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 14 november 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. De raadsvrouw heeft zich hierbij aangesloten.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hierboven overwogen, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Vordering tenuitvoerlegging (23-001545-18)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 117 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. De raadsvrouw heeft zich hierbij aangesloten.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hierboven overwogen, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.
Bespreking standpunt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 16.911,50. Die vordering is bij het vonnis van de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 4.173,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep dus te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het Rolex horloge, een bedrag van € 3.923,-, dient te worden afgewezen. Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade ook daadwerkelijk geleden heeft. Zo staat de bon van het horloge niet op zijn naam en is er geen pinbetaling overgelegd. Ten aanzien van het overige deel van de vordering voor zover aan de orde refereert de raadsvrouw zich.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij direct heeft verklaard waar hij het Rolex horloge heeft gekocht. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 24 maart 2021 verklaard hij dat hij het Rolex horloge heeft gekocht bij de [bedrijf] in de [winkel] . De benadeelde partij heeft ook een bon overgelegd van dezelfde vestiging en locatie, zoals hij in zijn verhoor heeft genoemd. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht het hof – samen met de advocaat-generaal – deze schadepost voldoende onderbouwd.
Het hof verenigt zich dan ook met de overwegingen en beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, ook voor wat betreft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde schadevergoedingsmaatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging en de vorderingen tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt dat ter zake van het onder feit 1 primair en feit 3 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.173,00 (vierduizend honderddrieënzeventig euro) bestaande uit € 3.923,00 (drieduizend negenhonderddrieëntwintig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 2.550,00 (tweeduizend vijfhonderdvijftig euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
4.173,00 (vierduizend honderddrieënzeventig euro) bestaande uit € 3.923,00 (drieduizend negenhonderddrieëntwintig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 september 2020.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 5 januari 2021, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 14 november 2018, parketnummer 21-000984-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 5 januari 2021, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2019, parketnummer 23-001545-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 117 dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk nog aan de orde voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. M. Iedema en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 december 2025.
mrs. A.W.T. Klappe en M. Iedema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]