Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
vanaf de leeftijd van [leeftijd] ( [datum 2] ) worden - met medewerking van de heer [naam 4] - de leidinggevende verantwoordelijkheden behorende bij de functie van meewerkend ploegchef/productieleider geheel afgebouwd en overgedragen op de heer [naam 6] ; de functietitel van werknemer blijft echter ongewijzigd.”
Verder staat daarin dat de tijdelijk verhoogde eindejaarsbonus van [appellant] tot de AOW-leeftijd vijftien procent blijft onder de voorwaarde dat [appellant] zich doorlopend positief zal opstellen en afstand zal houden van de leiding en bedrijfsaansturing. [naam 4] heeft de aanvullende arbeidsovereenkomst ondertekend en [appellant] heeft het stuk mee naar huis genomen.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grieven I, II, III en (een deel van) IVvan [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [geïntimeerde] en derhalve dat hij daarom geen recht heeft op een billijke vergoeding. [appellant] baseert zijn andersluidende conclusie op de navolgende feiten en omstandigheden. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter het voorstel en het verdere handelen van [geïntimeerde] ten onrechte niet als een demotie aangemerkt (
grief I). [appellant] acht het ernstig verwijtbaar dat [geïntimeerde] zijn functie ingrijpend heeft gewijzigd (een demotie van bedrijfsleider naar productiemedewerker) zonder zijn instemming. [geïntimeerde] heeft haar belang bij deze wijziging niet aannemelijk gemaakt. Tot augustus 2024 heeft [appellant] altijd goed gefunctioneerd. Er was in 2024 (5 jaar vóór zijn pensioen) geen enkele aanleiding om [appellant] zonder zijn toestemming taken af te nemen. [geïntimeerde] mocht er dus niet vanuit gaan dat hij akkoord was met deze ingrijpende wijziging. Bovendien hield de bereidheid van [geïntimeerde] om verder te onderhandelen enkel in dat [appellant] zijn functietitel mocht behouden, maar dat doet aan de feitelijke demotie niet af. Ook acht [appellant] het ernstig verwijtbaar dat [geïntimeerde] het personeel al had ingelicht over de functiewijziging nog voordat er met [appellant] over was gesproken. Verder heeft [appellant] betwist dat de mededeling van [naam 5] over het niet overeengekomen wijzigingsbeding op een vergissing berustte en dat [geïntimeerde] die vergissing met [appellant] heeft gecommuniceerd (
grief II). In meerdere e-mails in juli 2024 heeft [naam 5] [appellant] gewezen op dit wijzigingsbeding in de concept-arbeidsovereenkomst tussen partijen maar verzuimd daarbij te vermelden dat het beding niet in de uiteindelijke definitieve ondertekende arbeidsovereenkomst is opgenomen. Voorts heeft de kantonrechter volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de door hem gestelde bedreiging door [geïntimeerde] gemotiveerd is weersproken en dat die bedreiging niet is komen vast te staan (
grief III). De impact van de bedreiging was zo groot dat een bezoek aan de huisarts noodzakelijk was. Ter onderbouwing heeft [appellant] de verklaringen van twee goede vrienden en de praktijkondersteuner van de huisarts overgelegd. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter het handelen van [geïntimeerde] ten onrechte niet als ernstig verwijtbaar aangemerkt en ten onrechte geen billijke vergoeding aan hem toegekend (
grief IV).
geleidelijkeoverdracht van werkzaamheden hadden afgesproken. [geïntimeerde] kon er dus niet vanuit gaan dat [appellant] instemde met het geheel overdragen van alle leidinggevende verantwoordelijkheden per [datum 1] . [appellant] heeft verder toegelicht dat hij niet heeft ingestemd met de wijziging van de bonusregeling vanwege de daaraan verbonden subjectieve voorwaarden (te weten: dat hij zich doorlopend positief zal opstellen en afstand zal houden van de leiding en bedrijfsaansturing), terwijl dit tijdens de gesprekken niet aan de orde kwam en de oude bonusregeling enkel objectieve voorwaarden bevatte (te weten: arbeidsongeschiktheid en het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd). Dit betekent dat [geïntimeerde] er niet vanuit mocht gaan dat [appellant] mondeling had ingestemd met de functiewijziging en de wijziging van de bonusregeling. Hierbij is tevens van belang dat de arbeidsovereenkomst bepaalt dat een wijziging schriftelijk dient te geschieden. Daarmee staat voldoende vast dat de wijziging pas als overeengekomen zou kunnen gelden als deze schriftelijk was vastgelegd. [geïntimeerde] heeft ook bij herhaling aangedrongen op ondertekening door [appellant] , zodat aangenomen mag worden dat [geïntimeerde] zich van deze bepaling bewust was. Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] getekend heeft.
In zijn beroepschrift heeft [appellant] bewijs aangeboden van zijn stelling door [naam 1] te zijn bedreigd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] dit bewijsaanbod voorwaardelijk gemaakt, in die zin dat hij bewijs aanbiedt voor het geval het hof op basis van de stukken (nog) niet tot de conclusie kan komen dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Nu het hof gelet op het voorgaande reeds op basis van de hiervoor besproken handelwijze van [geïntimeerde] concludeert dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] , treedt de door [appellant] aangevulde voorwaarde niet in en komt het hof niet toe aan dit (voorwaardelijke) bewijsaanbod van [appellant] .
grief IVbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte geen billijke vergoeding aan hem heeft toegekend. [appellant] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van afgerond € 370.000,- bruto. [appellant] gaat bij zijn berekening uit van een bedrag van € 393.924,- aan salaris tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Daarvan moet worden afgetrokken de hoogte van een eventueel te ontvangen WW-uitkering van in totaal € 106.841,80. Zijn pensioenschade tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft [appellant] berekend op € 82.846,00. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist en met berekening van [naam 5] (bijlage 28 in eerste aanleg) onderbouwd dat de pensioenschade maximaal ongeveer de helft van genoemd bedrag bedraagt. [appellant] is nadien op die berekening niet meer ingegaan.
Dit deel van grief IV slaagt derhalve.