ECLI:NL:GHAMS:2025:3308

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
200.353.176/01 NOT
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht tegen notaris over afgifte verklaring van erfrecht en onzorgvuldig handelen

In deze zaak hebben klagers, de ouders van de overledene, een klacht ingediend tegen de notaris die een verklaring van erfrecht heeft afgegeven. De overledene, hun zoon, had in 2022 een testament en een samenlevingsovereenkomst opgesteld, waarin zijn partner als enige erfgenaam was benoemd. Klagers betwisten echter dat de relatie tussen hun zoon en de partner nog bestond ten tijde van zijn overlijden in 2024. Ze verwijten de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van erfrecht af te geven zonder voldoende onderzoek te doen naar de beëindiging van de relatie. De kamer voor het notariaat heeft de klacht ongegrond verklaard, en het hof bevestigt deze beslissing. Het hof oordeelt dat de notaris zorgvuldig heeft gehandeld en dat de door klagers aangedragen argumenten niet voldoende zijn om aan te tonen dat de notaris zijn plichten heeft verzaakt. De notaris had de afgifte van de verklaring van erfrecht opgeschort totdat er een rechterlijke uitspraak was, en de termijn die hij stelde voor het indienen van een kort geding was niet onredelijk. Ook de andere klachtonderdelen, waaronder het niet verstrekken van afschriften en het sturen van een nota, zijn ongegrond verklaard. Het hof bevestigt de beslissing van de kamer en maakt deze tot de zijne.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.353.176/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/440644 KL RK 24-128
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 december 2025
inzake

1.[appellant 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,
2.
[appellant 2] ,
wonend te [woonplaats 3] ,
appellanten,
tegen
mr. [geïntimeerde] ,
notaris te [woonplaats 3] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. V.J.N. van Oijen, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klager en klaagster) en de notaris genoemd.

1.De zaak in het kort

Erflater, de zoon van klagers, heeft in 2022 een testament en een samenlevingsovereenkomst opgesteld. In dat testament heeft hij zijn partner tot enig erfgenaam benoemd waarbij is opgenomen dat alle beschikkingen ten behoeve van zijn partner komen te vervallen indien de samenwoning anders dan door overlijden is geëindigd. Erflater is in 2024 overleden. De notaris heeft een verklaring van erfrecht afgegeven waarin op basis van de op dat moment ter beschikking staande gegevens wordt geconstateerd dat de partner van erflater de enige erfgenaam is. Klagers verwijten de notaris onder meer dat de notaris ten onrechte deze verklaring van erfrecht heeft afgegeven omdat de (voormalig) partner van erflater ten tijde van zijn overlijden niet meer als zodanig kon worden aangemerkt omdat de relatie toen al was geëindigd. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klagers hebben op 7 april 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 21 maart 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:11).
2.2.
De notaris heeft op 2 juli 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Klagers hebben op 18 september 2025 aanvullende producties bij het hof ingediend.
2.4.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 2 oktober 2025. Klagers en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen. Allen hebben het woord; klagers en de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Klagers zijn de ouders van [naam 1] (hierna: erflater).
3.2.
Erflater heeft op 31 januari 2022 een testament opgesteld. In dit testament heeft hij, onder andere, een legaat aan klaagster toegekend en tot enig erfgename benoemd [naam 2] (hierna: [naam 2] ) voor het geheel. In het testament wordt [naam 2] verder aangeduid met de definitie “partner”. Voorts heeft erflater in dit testament het volgende bepaald:

Indien ik ten tijde van mijn overlijden niet ben gehuwd met mijn partner en de samenwoning met mijn partner is verbroken vervallen alle beschikkingen met betrekking tot mijn partner en haar bloedverwanten, behoudens mijn afstammelingen. De beschikkingen blijven echter wel in stand indien de samenwoning door omstandigheden buiten onze wil is geëindigd.”
3.3.
Erflater en [naam 2] hebben, eveneens op 31 januari 2022, een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst gesloten. Op 1 februari 2022 hebben erflater en [naam 2] bij akte van levering, tezamen en voor gelijke delen, een perceel grond bestemd voor de bouw van een nieuwbouwwoning in [woonplaats 3] verkregen. Eind maart 2023 zijn [naam 2] en erflater verhuisd naar deze nieuwe woning (hierna: de koopwoning).
3.4.
Erflater is overleden op 20 april 2024.
3.5.
Klagers hebben op 29 april 2024 een gesprek gevoerd met twee kandidaat-notarissen van het kantoor van de notaris. In dit gesprek hebben klagers aangegeven dat naar hun mening [naam 2] geen erfgenaam is. In een brief van klagers van 4 mei 2024 aan de notaris hebben klagers hun standpunt schriftelijk bevestigd.
3.6.
De notaris heeft op 22 mei 2024 aan klagers een brief gestuurd waarin staat, voor zover relevant:
“(…)
Op basis van alle informatie die ik tot op heden heb ontvangen constateer ik dat de samenwoning tussen uw zoon en[hof: [naam 2] ]
is geëindigd door zijn overlijden. In dat geval is[hof: [naam 2] ]
enig erfgenaam in de nalatenschap van uw zoon en is[hof: [naam 2] ]
verplicht het legaat aan[hof: klaagster]
uit te keren. Ik ben voornemens om een verklaring van erfrecht af te geven waarin ik constateer dat[hof: [naam 2] ]
de enige erfgename van uw zoon is omdat uit zijn laatste testament blijkt dat zij tot enig erfgenaam is benoemd indien de samenwoning door overlijden is beëindigd. Indien u van mening bent dat afgifte van deze verklaring van erfrecht onjuist is, bijvoorbeeld omdat de samenwoning toch voor overlijden is beëindigd, dan staat het u vrij om de door de wet aan u toegekende rechten te gebruiken(…)”
en verder:
“(…)
Voor verder advies verwijs ik u naar uw advocaat. Ik deel u bij deze mee dat ik de verklaring van erfrecht zonder nader bericht afgeef op 11 juni aanstaande. Mocht u gebruik willen maken van de door u toekomende rechten dan dient u deze voor die tijd uit te oefenen.”
3.7.
Op 6 juni 2024 heeft de notaris een e-mail aan de door klagers ingeschakelde advocaat gestuurd waarin, onder meer, het volgende staat:

Ik maak uit uw bericht op dat u het oordeel of[hof: [naam 2] ]
erfgename is eventueel in kort geding wil laten toetsen. Gezien het feit dat er dan op korte termijn een gerechtelijke uitspraak zal zijn ten aanzien van het zijn van erfgenaam in deze nalatenschap, zal ik afgifte van de verklaring van erfrecht opschorten totdat de uitspraak van de rechter is gegeven. Indien u niet overgaat tot de toetsing in kort geding wie de erfgenaam is deel ik u mee dat ik vooralsnog overga tot afgifte van de verklaring van erfrecht aan[hof: [naam 2] ].
Om u echter de tijd te geven voor een zorgvuldige procesvoorbereiding zal ik ten aanzien daarvan een nader uitstel verlenen tot 21 juni 2024 om 12.00 uur in plaats van het eerdergenoemde tijdstip van 11 juni 2024(…)”
en verder:
“(…)
Overigens verzoekt u mij afgifte van een testament en een samenlevingsovereenkomst. Zolang uw cliënten niet in rechte als erfgenamen zijn aangewezen kan ik vanwege mijn geheimhoudingsplicht geen kopie van deze documenten verstrekken anders dan het reeds afgegeven uittreksel van het testament waaruit het legaat van uw cliënte blijkt. Indien de rechter anders beslist zal ik mij uiteraard ook in deze conformeren aan de uitspraak van de rechter.
3.8.
Op 17 juni 2024 hebben klagers en de notaris op het kantoor van de notaris een bespreking gehad. In dit gesprek heeft klager aan de notaris een brief (met bijlagen) overhandigd waaruit volgens klager blijkt dat de samenwoning van erflater en [naam 2] al was beëindigd voor het overlijden van erflater.
3.9.
De notaris heeft op 8 juli 2024 een e-mail gestuurd aan klagers waarin staat, voor zover van belang:

De status waar we nu in zitten is dat ik eerst nog de stukken die u heeft aangeleverd wil doornemen. Daar heb ik tijd voor nodig. Tot die tijd kan ik sowieso niet constateren of u erfgenaam bent en daarom of u gerechtigd bent tot de stukken waar u om vraagt. Het kan ook zijn dat ik constateer dat deze nalatenschap zich niet leent voor het op verzoek van een van de partijen afgeven door een notaris van een verklaring van erfrecht, omdat de notaris zich dan een feitelijk oordeel aanmeet in een situatie waarin daar wellicht geen plaats voor is.
3.10.
Klagers zijn vervolgens een kortgedingprocedure gestart tegen [naam 2] waarvan de mondelinge behandeling op 24 juli 2024 bij de rechtbank Midden-Nederland heeft plaatsgevonden. In dit kort geding hebben klagers onder meer gevorderd [naam 2] a) te veroordelen tot afgifte van de boedelbeschrijving, het testament en de samenlevingsovereenkomst en b) te verbieden gebruik te maken van de nog af te geven verklaring van erfrecht totdat in rechte vaststaat wie de erfgenaam is in de nalatenschap van erflater. Bij vonnis van 2 augustus 2024 zijn de vorderingen van klagers afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat klagers erfgenaam van erflater zijn geworden.
3.11.
Door een kantoorgenoot van de notaris is op 6 augustus 2024 een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin is vermeld dat [naam 2] blijkens het testament van erflater als enig erfgenaam is benoemd.
In deze verklaring van erfrecht is voorts bepaald, voor zover relevant:
“(…)
Het kan zijn dat in hoger beroep of in een bodemprocedure wordt geconstateerd dat de samenleving niet is geëindigd door het overlijden van de overledene. In dat geval blijkt dat [naam 2] nooit erfgenaam en nooit executeur is geweest(…)
.
3.12.
Klagers hebben hoger beroep ingesteld tegen de onder 3.10 genoemde uitspraak. Bij arrest van 29 juli 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de vordering van klagers om [naam 2] te verbieden gebruik te maken van de op 6 augustus 2024 afgegeven verklaring van erfrecht opnieuw afgewezen. In het arrest is onder meer in rov. 3.8 overwogen:
“(…)
Het hof constateert dat in die verklaring van erfrecht al uitdrukkelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid dat in rechte komt vast te staan dat de samenwoning niet is geëindigd door het overlijden van de erflater en dat in dat geval [naam 2] nooit erfgenaam en nooit executeur is geweest.(…)”
In het arrest is voorts beslist dat [naam 2] aan klagers een afschrift van de notariële samenlevingsovereenkomst dient te verstrekken. Klagers hebben inmiddels een afschrift ontvangen.

4.De klacht

4.1.
Klagers verwijten de notaris dat hij nader onderzoek had moeten doen voor het afgeven van de verklaring van erfrecht. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen,
de notaris heeft:
onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke beëindiging van de relatie tussen erflater en [naam 2] ;
onredelijke termijnen gesteld voor het volgen van een gerechtelijke procedure;
ten onrechte geen afschriften verstrekt van de volledige boedelbeschrijving, het testament, de samenlevingsovereenkomst en de onderhandse akte tussen erflater en [naam 2] (artikel 49b Wna) en ten onrechte niet inhoudelijk gereageerd op de brieven van klagers;
ten onrechte een nota gestuurd aan klagers voor verrichte werkzaamheden.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klagers tegen de notaris ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 1: de notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de relatie
5.2.
Klagers voeren aan dat de samenwoning tussen erflater en [naam 2] al was verbroken voor het overlijden van erflater zodat op grond van het vervalbeding in het testament (vgl. 3.2) [naam 2] geen erfgenaam is. Ter onderbouwing van hun klacht hebben klagers de volgende argumenten naar voren gebracht:
- uit diverse, door klagers overgelegde, verklaringen van personen blijkt dat de relatie tussen erflater en [naam 2] al voor het overlijden van erflater voorbij was;
- erflater en [naam 2] hebben nooit op het adres van de koopwoning gezamenlijk ingeschreven gestaan. De notaris heeft dit ten onrechte niet onderkend. [naam 2] heeft altijd ingeschreven gestaan bij haar ouders en erflater heeft altijd op een ander adres ingeschreven gestaan;
- erflater en [naam 2] zijn pas in maart 2023 verhuisd naar de koopwoning; in augustus 2023 was de relatie feitelijk al beëindigd. [naam 2] heeft na het overlijden van erflater bij de gemeente [woonplaats 3] ten onrechte bewerkstelligd dat erflater met terugwerkende kracht vanaf 10 februari 2023 alsnog is ingeschreven op het adres van de koopwoning;
- klagers hebben stukken overgelegd waaruit blijkt dat a) een makelaar op 6 februari 2024 de koopwoning heeft bezocht wegens de voorgenomen verkoop van de woning in verband met de relatiebeëindiging en b) erflater op 21 maart 2024 een gesprek heeft gevoerd met zijn hypotheekverstrekker in verband met het overnemen van de hypotheek op de koopwoning en het uitkopen van [naam 2] .
De notaris heeft de door klagers opgevoerde argumenten onvoldoende meegewogen in zijn afweging, waarbij klagers in hoger beroep, kort samengevat, nog aanvoeren dat de door de belastingdienst gestelde eisen om als “partner” te worden aangemerkt door de notaris ten onrechte zijn veronachtzaamd. Het kan de notaris tuchtrechtelijk worden aangerekend dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag in hoeverre de samenwoning tussen erflater en [naam 2] reeds was beëindigd, aldus klagers.
5.3.
De notaris betoogt dat hij de door klagers opgeworpen argumenten wel degelijk heeft meegewogen in zijn onderzoek. De notaris heeft klagers op 17 juni 2024 in een gesprek bij hem op kantoor ook in de gelegenheid gesteld om hun standpunt nader toe te lichten. De notaris heeft zowel [naam 2] als klagers uitvoerig gehoord en, waar nodig, om extra informatie gevraagd. Dat de verkregen informatie in verband met de geheimhoudingsplicht van de notaris over en weer niet mocht worden gedeeld maakte het complex. De notaris heeft vervolgens meegedeeld dat hij de afgifte van de verklaring van erfrecht zou opschorten totdat de uitspraak van de rechter was gewezen, hetgeen hij ook heeft gedaan. Omdat de notaris gebonden was aan de onder 3.10 genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter lag het niet (meer) op de weg van de notaris om een nader onderzoek in te stellen. De notaris kon niet anders handelen dan dat hij nu heeft gedaan. Het staat klagers vrij om bij de civiele rechter in een bodemprocedure een uiteindelijk oordeel te vragen wie er gerechtigd is tot de nalatenschap van erflater. Het kan de notaris tuchtrechtelijk niet worden aangerekend dat hij dit (tot dusverre) niet heeft gedaan.
5.4.
De kamer heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard en heeft daarbij het volgende overwogen. Uit de overgelegde berichten blijkt dat de notaris na het onder 3.8 genoemde gesprek van 17 juni 2024 de tijd wilde nemen om de stukken van klagers te bestuderen. Bij email van 8 juli 2024 (genoemd onder 3.9) heeft de notaris dit ook aan klagers bericht. Hieruit blijkt dat de notaris zorgvuldig met de situatie omging en onderzoek deed. De notaris werd echter ingehaald doordat een kortgedingprocedure werd gestart. Zodra de procedure aanhangig werd gemaakt heeft de notaris zijn onderzoek gestopt. Het is dan namelijk aan de voorzieningenrechter om een oordeel te geven over wie erfgenaam is. De notaris heeft vervolgens op basis van het oordeel van de voorzieningenrechter de (voorlopige) verklaring van erfrecht afgegeven.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. Van onzorgvuldig handelen door de notaris is het hof niet gebleken. Dat de door erflater en [naam 2] gesloten notariële samenlevingsovereenkomst mogelijk niet voldoet aan de door de belastingdienst gestelde eisen maakt dit oordeel niet anders, omdat dat geen afbreuk doet aan de geldigheid ervan.
Klachtonderdeel 2: de notaris heeft een onredelijke termijn gesteld voor het voeren van een gerechtelijke procedure
5.5.
Klagers verwijten de notaris dat hij hen, gelet op de wachttijd voor een zittingsdatum bij de rechtbank Midden-Nederland, in de onder 3.6 genoemde brief van 22 mei 2024 een onredelijk korte termijn (tot 11 juni 2024) heeft gegeven voor het aanspannen van een kortgedingprocedure.
De notaris brengt naar voren dat hij de afgifte van de verklaring van erfrecht heeft opgeschort om klagers in de gelegenheid te stellen zich juridisch te laten bijstaan. In eerste instantie heeft hij de termijn opgeschort tot 11 juni 2024. De notaris heeft vervolgens een nader uitstel gegeven tot 21 juni 2024 (vgl. 3.7) om de advocaat van klagers in staat te stellen de door klagers voorgenomen procedure voor te bereiden.
5.6.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de door de notaris gestelde termijn niet onredelijk kort was. De notaris diende enerzijds rekening te houden met het verzoek van [naam 2] om een verklaring van erfrecht af te geven en anderzijds behoorde hij oog te hebben voor de belangen van klagers. De notaris heeft dit in voldoende mate gedaan. Nadat de notaris op 6 juni 2024 bericht had ontvangen dat klagers een kortgedingprocedure zouden gaan opstarten heeft de notaris aan de advocaat van klagers bericht dat hij de afgifte van de verklaring van erfrecht zou opschorten totdat er uitspraak zou worden gedaan. De door de notaris gegeven nadere termijn tot 21 juni 2024 om de advocaat van klagers in de gelegenheid te stellen deze procedure voor te bereiden is naar het oordeel van het hof niet onredelijk kort. Ook klachtonderdeel 2 is ongegrond.
Klachtonderdeel 3: ten onrechte geen afschriften verstrekt en niet inhoudelijk gereageerd op de brieven van klagers
5.7.
Klagers hebben de notaris diverse keren verzocht om afschriften van het volledige testament, de samenlevingsovereenkomst, de onderhandse akte tussen [naam 2] en erflater en een volledige boedelbeschrijving.
De notaris heeft klagers meerdere keren bericht dat hij dit in verband met zijn geheimhoudingsplicht niet kon doen zolang klagers in rechte niet als erfgenamen zouden worden aangewezen, aldus de notaris.
5.8.
Het hof is van oordeel dat ook deze klacht ongegrond is. Op basis van zijn geheimhoudingsplicht was de notaris (vooralsnog) niet gerechtigd om aan klagers de gevraagde afschriften te verstrekken. De notaris heeft dit ook bericht aan de (advocaat van) klagers (vgl. 3.7). Het hof merkt daarbij op dat klagers op grond van het onder 3.12 genoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inmiddels overigens wél een afschrift van de samenlevingsovereenkomst tussen erflater en [naam 2] hebben ontvangen. Dat de notaris onvoldoende adequaat zou hebben gereageerd op de (overige) brieven van klagers is het hof niet gebleken.
Klachtonderdeel 4: de notaris heeft aan klagers ten onrechte een nota gestuurd.
5.9.
Klagers verwijten de notaris dat hij ten onrechte een nota heeft opgevoerd voor werkzaamheden waarvoor zij geen opdracht hebben gegeven.
5.10.
De notaris heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat de nota voor zijn werkzaamheden zal worden geïncasseerd bij degene die de uiteindelijk erfgena(a)m(en) blijk(t)(en) te zijn. Zolang niet is vast komen te staan dat klagers erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater hoeven ze de nota dus niet te betalen. De kamer heeft daarom de klacht ongegrond verklaard.
In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

6.Beslissing

Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, O.J. van Leeuwen en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door de rolraadsheer.