Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
het er nog wel over zullen hebben” als hij er weer de energie voor heeft, maar dat hij nu “
geen licht ziet aan de horizon”.
verre van goed genoeg voelt” om weer aan de slag te gaan, dat hij tijd nodig heeft om “
de oude [appellant] te worden” en wil voorkomen “
dat er ergere dingen met hem zouden kunnen gebeuren”. [appellant] heeft ook meegedeeld dat hij ter bescherming van zijn gezondheid vanaf die dag verlof zal opnemen.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief 1heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. De Staat heeft gedurende het proces steeds enorm lang gewacht totdat er actie werd ondernomen. De kwestie speelde al vanaf begin juli 2024, maar de Staat heeft te lang gewacht door pas op 19 september 2024 over te gaan tot het ontslag op staande voet, aldus [appellant] .
grief 2betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er een dringende reden voor een ontslag op staande voet was. [appellant] is niet verschenen op de gesprekken over zijn werkhervatting omdat hij wegens ziekte zijn post niet opende en daardoor niet op de hoogte was van de ingeplande afspraken. Verder hield zijn afwezigheid verband met ziekte. [appellant] betwist met
subgrief 2.1en
subgrief 2.2dat niet uit objectieve medische gegevens gebleken is dat het ontwijkende gedrag van [appellant] te wijten is aan zijn medische toestand. De kantonrechter had het deskundigenoordeel van het UWV moeten afwachten. [appellant] heeft herhaaldelijk laten weten dat het niet goed ging met hem (zie e-mails van 9, 16, 21 en 22 juli 2024 van [appellant] aan de Staat, hierboven onder 3.6. t/m 3.9. weergegeven). Ook uit het huisartsenjournaal blijkt dat hij sinds zijn auto-ongeluk in september 2021 niet lekker in zijn vel zit en dat zijn klachten zijn verergerd, waarvoor hij doorverwijzing naar specialistische GGZ heeft gekregen. [appellant] heeft deze klachten tijdens het spreekuur met de bedrijfsarts besproken. Een verklaring van de vader van [appellant] ondersteunt het voorgaande. Hoewel objectieve medische stukken ontbreken, kan uit de wel aanwezige stukken worden afgeleid dat zijn gedrag gevolg was van zijn medische situatie. Bovendien was de Staat ermee bekend dat [appellant] zich in het algemeen terugtrok, omdat zijn moeder dat aan de Staat vertelde. [appellant] betwist dat hij ook eerder al ontwijkend gedrag vertoonde. Hij werkte wellicht minder dan gemiddeld op kantoor, maar dat was omdat hij zich thuis beter kon concentreren, aldus [appellant] .
subgrief 2.3heeft [appellant] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken dat de Staat heeft nagelaten om op andere dan de gebruikelijke manieren contact met [appellant] op te nemen. De Staat heeft meerdere brieven naar zijn huisadres gestuurd (maar die aangetekende brieven konden niet worden afgeleverd) en naar het werk e-mailadres (maar die werd niet gelezen). De Staat had [appellant] op zijn privé telefoonnummer een Whatsapp-bericht kunnen sturen of op zijn privé e-mailadres een e-mail. De Staat heeft zich onvoldoende ingespannen om hem daadwerkelijk te bereiken, aldus [appellant] . De Staat heeft gewezen op verschillende e-mails waaruit blijkt dat Dekker ook diverse malen tevergeefs naar het privé telefoonnummer van [appellant] heeft gebeld. De Staat heeft eenmaal het noodnummer van de ouders van [appellant] gebeld, maar daar was hij blijkens zijn e-mail van 16 juli 2024 niet van gediend. Mede gelet op hetgeen onder 5.2. is opgenomen oordeelt het hof dat de Staat zich voldoende heeft ingespannen om [appellant] daadwerkelijk te bereiken, temeer nu ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat het ontwijkende gedrag van [appellant] een medische oorzaak heeft, zodat het voor zijn rekening komt dat hij zijn post en e-mail niet bekeek.
subgrief 2.4heeft [appellant] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte niet in het oordeel heeft betrokken dat de Staat de effecten van het stoppen met de loonbetaling had moeten afwachten alvorens hij tot een ontslag op staande voet over ging. Volgens [appellant] had een uitblijvende verloning hem er naar alle waarschijnlijkheid toe bewogen om contact op te nemen met de Staat. Bij een loonsanctie wegens het niet voldoen aan reintegratieinspanningen geldt in beginsel dat het effect van deze sanctie moet worden afgewacht alvorens de werkgever tot ontslag op staande voet kan overgaan. [appellant] heeft in dit verband verwezen naar artikel 7:629 BW Pro en gesteld dat dit artikel in zijn situatie overeenkomstig zou moeten worden beoordeeld. Het hof oordeelt daaromtrent dat [appellant] niet arbeidsongeschikt was en daarom niet artikel 7:629 BW Pro, maar artikel 7:628 BW Pro zijn rechtspositie bepaalt. Omdat het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van [appellant] behoort te komen heeft hij gelet op artikel 7:628 lid 1 BW Pro geen recht op loon. Artikel 7:629 BW Pro regelt de situatie van loondoorbetaling bij ziekte en daar is bij [appellant] geen sprake van.
subgrief 2.5heeft [appellant] gesteld dat hij op 13 september 2024 alleen is gewaarschuwd dat de arbeidsovereenkomst beëindigd zou kunnen worden vanwege werkweigering, maar niet voor het feit dat de arbeidsovereenkomst zou kunnen worden beëindigd middels een ontslag op staande voet vanwege het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen van de Staat. Het hof volgt [appellant] daarin niet. [appellant] wist door de brief van 13 september 2024 dat de Staat hem een laatste kans bood om op 18 september 2024 op gesprek te komen, waarbij de Staat heeft meegedeeld dat als [appellant] niet zou verschijnen, hij er rekening mee moest houden dat zijn arbeidsovereenkomst wegens werkweigering zou worden beëindigd. In die omstandigheden mocht de Staat kiezen voor een ontslag op staande voet.
subgrief 2.6heeft [appellant] aangevoerd dat de Staat onvoldoende stil heeft gestaan bij de gevolgen van het ontslag. [appellant] had geen recht op een uitkering en geen inkomsten uit arbeid vanwege zijn arbeidsongeschiktheid. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn woning heeft moeten verkopen. Bovendien heeft het ontslag op staande voet tot een verergering van zijn mentale klachten geleid, aldus [appellant] . Het hof oordeelt dat de Staat de persoonlijke omstandigheden van [appellant] voldoende heeft meegewogen bij het ontslag op staande voet. In de ontslagbrief van 19 september 2024 is daarover opgenomen:
grief 3betwist [appellant] dat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en stelt derhalve recht te hebben op een transitievergoeding. De gedragingen zijn het gevolg van zijn ziekte en kunnen hem niet worden verweten, aldus [appellant] .
€ 2.428,00