ECLI:NL:GHAMS:2025:3324

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23-001436-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelneming aan een criminele organisatie met het oog op het plegen van ernstige geweldsmisdrijven

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de verdachte, die eerder door de rechtbank Amsterdam was vrijgesproken. De verdachte werd beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van ernstige geweldsmisdrijven, waaronder moord. De zaak is ontstaan uit het onderzoek naar de moord op Peter R. de Vries, waarbij de verdachte een sturende rol zou hebben gespeeld in de organisatie. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 betrokken was bij een organisatie die zich bezighield met het plegen van zware geweldsmisdrijven. De verdachte zorgde voor de beschikbaarheid van vervoermiddelen, verblijfplaatsen en wapens voor de leden van de organisatie. Het hof heeft de bewijsvoering beoordeeld en geconcludeerd dat de verdachte een aandeel heeft gehad in de gedragingen die verband houden met het oogmerk van de organisatie. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarbij het hof rekening heeft gehouden met zijn eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten. De vordering van de benadeelde partij is afgewezen, omdat er onvoldoende verband was tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schade.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001436-24
datum uitspraak: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 71-155078-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
adres: [adres 1] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 en 24 oktober 2024, 6, 7, 8, 9, 28 en 30 oktober 2025 en 11 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaten van de benadeelde partij en de spreekgerechtigde nabestaanden naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is bij de rechtbank en in hoger beroep gewijzigd. Na deze wijzigingen is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd dat:
primair
hij in de periode 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , en/of met een of meer anderen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, te weten moord (met een terroristisch oogmerk), (zware) mishandeling met voorbedachten rade, heling en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (begaan met een terroristisch oogmerk);
subsidiair
hij in de periode 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en/of met een of meer anderen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, te weten moord (met een terroristisch oogmerk), (zware) mishandeling met voorbedachten rade, heling en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (begaan met een terroristisch oogmerk).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Onderzoeken Iraklia en Hendon

Op 6 juli 2021 werd Peter R. de Vries neergeschoten in het centrum van Amsterdam. Op 15 juli 2021 overleed hij aan zijn verwondingen.
Binnen een uur na de moordaanslag werden de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] aangehouden. Het opsporingsonderzoek naar hun betrokkenheid betreft het onderzoek Iraklia. Niet veel later is ook een onderzoek gestart naar mogelijk andere betrokkenen. Dat betreft het onderzoek Hendon. Naar aanleiding van dat onderzoek zijn op een veel later moment de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] aangehouden.
De rechtbank heeft uiteindelijk – nadat het onderzoek ter terechtzitting tegen de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] bijna was afgerond – de zaken tegen alle verdachten tegelijkertijd behandeld. De strafzaken tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] hebbend daardoor wel extra lang geduurd. De rechtbank heeft de dossiers samengevoegd en ook processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank over en weer gevoegd in de zaken tegen de verschillende verdachten. Het hof heeft dus de beschikking over één dossier. Op grond daarvan verwijt het openbaar ministerie de verdachten op verschillende manieren betrokken te zijn geweest bij de moord op De Vries en/of deelneming aan een criminele organisatie.
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van zware geweldsmisdrijven, waaronder moord.
Het hof zal de vraag moeten beantwoorden of de verdachte daarvoor moet worden veroordeeld.
Voor de leesbaarheid worden de verdachte en de medeverdachten (ook) met naam genoemd.

4.Beoordeling van het bewijs

Standpunt van openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden in de organisatie een aansturende en faciliterende rol.
[medeverdachte 1] stuurt [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] aan. [verdachte] stuurt [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] aan. [verdachte] had ook een faciliterende rol. Hij verschafte informatie, zorgde voor een auto op naam van een katvanger en voorzag [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] meermalen van geld. [verdachte] heeft [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] aangestuurd tijdens de zoektocht naar [persoon 1] (mei 2021) en bij voorbereidingen om geweld te plegen ten aanzien van ene [bijnaam 1] (in augustus 2021).
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op het oordeel van de rechtbank. Tussen de personen die in de tenlastelegging zijn genoemd is geen sprake van een zichtbare onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel. Er is sprake van losse personen of groepjes personen die geen (voldoende) duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband vormen anders dan met een incidenteel doel. De wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep heeft daar geen verandering in gebracht. Het openbaar ministerie heeft niet inzichtelijk gemaakt wie de verbindende schakel is tussen de Poolse en de Antilliaanse groepen.
De verdediging heeft erop gewezen dat de verdachte is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen en wapens waar ook [medeverdachte 5] een rol in had. Bij de beoordeling van het bewijs moet er steeds rekening mee worden gehouden dat de verdachte anderen kent en ook met anderen heeft samengewerkt in verband met die handel in verdovende middelen en wapens.
Bewijsuitsluiting
De verdediging is ingegaan op de betekenis van een opgenomen gesprek dat heeft plaatsgevonden in de cel van [verdachte] op 23 november 2023. Bij het opnemen van deze gesprekken is het verschoningsrecht van de raadsman geschonden en zijn de gesprekken in strijd met de geldende regelgeving niet zo snel mogelijk vernietigd. Voor de inhoud van het betoog heeft de raadsman verwezen naar het pleidooi bij de rechtbank. De verdediging heeft primair verzocht tot bewijsuitsluiting van het ‘OVC-gesprek van 23 november 2023’. Het hof zal het schriftelijke verslag van dit gesprek niet gebruiken voor het bewijs. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding het verweer verder te bespreken.
De verdediging heeft in pleidooi meerdere standpunten naar voren gebracht over bewijs dat het openbaar ministerie in het requisitoir heeft genoemd. Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaald dossierstuk niets zegt, als het hof ervoor heeft gekozen dat dossierstuk niet te gebruiken voor het bewijs.
Juridisch kader
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang).
Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Oordeel van het hof
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast die voor de beoordeling van de beschuldiging relevant zijn.
Zware mishandeling [persoon 1]
In de nacht van 2 op 3 mei 2021 heeft er communicatie plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] . Uit die communicatie blijkt dat [medeverdachte 4] met een ander of anderen op zoek was naar [persoon 1] om hem zwaar te mishandelen. [medeverdachte 4] werd daarbij aangestuurd door [verdachte] .
[medeverdachte 4] stuurt [verdachte] op 2 mei 2021 om 23:52 uur een bericht dat hij is aangekomen op een adres. Kort daarna stuurt hij een foto van een straatnaambordje met de straatnaam ‘ [straat 1] ’. Iets na middernacht stuurt [verdachte] een foto van een auto gevolgd door ‘ [straat 2] ’. [medeverdachte 4] reageert daarop dat zij in die straat zijn. [verdachte] stuurt vervolgens een foto van een straatnaambordje met de straatnaam ‘ [straat 2] ’.
Om 00:35 uur stuurt [verdachte] een bericht ‘Broer hij rijd in een ford fiesta’, [verdachte] zal nog een kenteken sturen. [verdachte] stuurt om 00:46 uur een schermafbeelding van een chat met ‘ [chatnaam 1] ’. Deze [chatnaam 1] bericht: ‘hond rijd met kenteken’. Dit bericht wordt gevolgd door een foto van een auto met [kenteken 1] . [chatnaam 1] schrijft vervolgens:
‘Jullie hebben ooo een foto van hem oke broer ?? Aub niet de verkeerde en niet in de buik of hoofd !! Beste met yzer op ze hoofd KO slaan en dan loop op zijn knie en vuren dan loop op zijn hand en vuren en op eleboog en vuren gewoon rustig en cool dan kan er niks fout gaan’.
[medeverdachte 4] vraagt daarna om een ‘pic van di gai’. Het hof begrijpt dit als een vraag om een foto van die man. Hierna stuurt [verdachte] een schermafbeelding van een chatgesprek waarin [chatnaam 1] zegt:
‘Als die hond niet om 01:00h er is of 02:00 dan slaapt die ergens anders’ en verder: ‘Dan beter yzer in de bosjes en autos beilig parkeren ik heb vervoer u jongens waar ze moeten zijn brengen we ze en waar we ze moeten ophapen morgen regel ik deze klus laten we niet los er is foto van hoofd+auto en kenteken’.
Om 01:01 uur stuurt [verdachte] een link naar [medeverdachte 4] , het is een link naar een youtube-filmpje waarin [persoon 1] te zien is. Het [kenteken 1] dat [chatnaam 1] stuurde, is het kenteken van een auto die wordt gebruikt door [persoon 1] .
De telefoon van [medeverdachte 4] peilt in de nacht van 2 op 3 mei 2021 uit in Nieuwegein.
Het hof stelt op basis van dit bewijs vast dat [medeverdachte 4] in de nacht van 2 op 3 mei 2021 met iemand anders of anderen in Nieuwegein is. Zij zijn op zoek naar [persoon 1] om hem zwaar te mishandelen. [persoon 1] moet eerst buiten bewustzijn worden geslagen en vervolgens door zijn knie, hand en elleboog worden geschoten. [verdachte] geeft daarvoor meerdere aanwijzingen die hij op zijn beurt ontvangt van een persoon die blijkens de chat ‘ [chatnaam 1] ’ wordt genoemd.
Ten behoeve van deze opdracht was er al een auto klaargezet. Als [medeverdachte 4] en deze ander(en) het slachtoffer niet zouden aantreffen, dan moest deze auto veilig geparkeerd worden. Ook was er voor dat geval vervoer georganiseerd naar huis, de volgende dag konden zij dan weer worden opgehaald. Er waren ook ‘yzers’ geregeld die in de bosjes achterelaten moeten worden als [persoon 1] niet gevonden wordt. Het hof begrijpt de term ‘yzers’ als ‘vuurwapens’, mede gelet op de inhoud van de opdracht om het slachtoffer door de knie, hand en elleboog te vuren.
Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat [verdachte] op 3 mei 2021 om 00:04 uur een screenshot heeft gestuurd aan [medeverdachte 4] . Dat screenshot moet kort daarvoor zijn gemaakt met de telefoon van [medeverdachte 1] . Volgens het openbaar ministerie bewijst dit dat [verdachte] en [medeverdachte 4] samenwerkten met onder meer [medeverdachte 1] . Het hof vindt de betekenis van dit screenshot echter beperkt. Het biedt inderdaad een aanwijzing dat er op de een of andere manier contact was tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dat zij direct contact met elkaar hadden, blijkt echter niet uit de dossierstukken. De foto kan ook zijn gedeeld via een ander, bijvoorbeeld via een opdrachtgever die beide groepen heeft ingezet om [persoon 1] te vinden. Uit de dossierstukken blijkt dat er op meerdere dagen gedurende langere tijd naar [persoon 1] is gezocht. De dossierstukken bieden veel aanwijzingen wie daarbij betrokken waren en ook wanneer dat was, maar niet gebleken is dat daarbij werd samengewerkt door (onder meer) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de ene kant en [verdachte] en [medeverdachte 4] aan de andere kant.
De verdediging heeft erop gewezen dat het niet [verdachte] was die aan [medeverdachte 4] de instructie heeft gegeven om geweld toe te passen. Die instructie was namelijk opgenomen in de chat waarin door [chatnaam 1] ook de afbeelding van het kenteken was gestuurd van de auto waarin [persoon 1] reed. [medeverdachte 4] had van [verdachte] niet deze instructie nodig, maar het kenteken.
Dat maakt geen verschil. Uit het bewijs wordt duidelijk dat [verdachte] [medeverdachte 4] instructies geeft waar hij moet zijn. [verdachte] stuurt [medeverdachte 4] beelden van degene die ze moeten hebben en het kenteken van de auto waarin hij rijdt. [chatnaam 1] heeft direct of indirect uitgelegd wat de bedoeling is: het slachtoffer met een vuurwapen op het hoofd knock-out slaan, dan de loop van het vuurwapen op zijn knie en vuren, daarna de loop op zijn hand en vuren en tot slot op zijn elleboog en vuren, gewoon rustig en cool. Om 00:46 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 4] nog expliciet om het bericht van [chatnaam 1] te lezen. Om 00.52 uur stuurt [verdachte] instructies door voor het geval het slachtoffer niet wordt aangetroffen.
Uit de dossierstukken blijkt dat anderen de opdracht om [persoon 1] zwaar te mishandelen, hebben overgenomen of met de opdracht zijn doorgegaan. Dit neemt echter niet weg dat het samenwerkingsverband van plan was om ernstig geweld te plegen tegen [persoon 1] en ook dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals hiervoor al is toegelicht, is voor de beoordeling niet van belang of het misdrijf daadwerkelijk is gepleegd.
Voorverkenningen De Vries
Gebeurtenissen voorafgaand aan de moord op De Vries
Juni 2021 – aanwezigheid [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de omgeving van RTL Boulevard
De telefoon van [medeverdachte 4] straalt op 9 juni 2021 tussen 17:53 uur en 20:57 uur een zendmast aan die dekking geeft aan de omgeving van de studio van RTL Boulevard in Amsterdam. De telefoon van [medeverdachte 3] straalt om 20:56 uur dezelfde zendmast aan.
Op 11 juni 2021 voert [medeverdachte 6] vanuit de gevangenis een gesprek met [medeverdachte 4] . In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd:
[medeverdachte 6] : wat gaan jullie doen gaan jullie beginnen met werken?
[medeverdachte 4] : jaah we zijn gaan zitten kijken, maar we hadden je nodig maar jaah
Op 11 juni 2021 is [medeverdachte 5] samen met [persoon 2] (een ander dan de verdachte [medeverdachte 4] ) en [persoon 3] in Amsterdam. Zij bezoeken om 9:58 uur de McDonalds op de Leidsestraat in Amsterdam. Om 20:29 uur vertrekken zij bij de McDonalds.
1 juli 2021 – aanwezigheid [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in omgeving RTL Boulevard
Op camerabeelden van 1 juli 2021 is te zien dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] om 19:33 uur door de Leidsestraat lopen. Zij lopen langs de McDonalds op de kruising Leidsestraat en de Lange Leidsedwarsstraat, in de richting van het Leidseplein. Om 19:47 uur lopen zij langs de ingang van parkeergarage De Hoofdstad. Zij kijken tijdens het voorbijlopen alle drie bij de parkeergarage naar binnen.
Twee minuten later, om 19:49 uur, voert [medeverdachte 6] vanuit de gevangenis een telefoongesprek met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . In het gesprek wordt het volgende gezegd:
[medeverdachte 6] : waar zijn jullie mee bezig. Met kijken naar werk?
[medeverdachte 3] : we zijn hier... “observation”
[medeverdachte 6] : “observation”
[medeverdachte 4] : ja, “observation” voor “celebration” om te kunnen blijven kloten
[medeverdachte 6] : het is zo meteen zover,..... een maand is al voorbij
(…)
[medeverdachte 4] : Men zegt dat hij je niks geeft van zíjn budget
[medeverdachte 6] : Men. zegt dat hij mij niks geeft van de budget?
(…)
[medeverdachte 6] : Hebben jullie al iets te doen gekregen?
[medeverdachte 4] : hoor je niet dat we op “observation voor celebration” zijn
[medeverdachte 6] : een andere of hetzelfde?
[medeverdachte 4] : op hetzelfde nog steeds
(…)
[medeverdachte 6] : jullie beide zelf ?
[medeverdachte 4] : jaah daarom als je terug bent dan moeten we iets hebben dat jij ook van partij bent ... dat is het,.
[medeverdachte 4] : jaah want als je naar buiten komt en er is niks dan moeten we weer gaan
zitten wachten, dit en dat
(...)
[medeverdachte 4] : hahah je had er moeten zijn zodat je in "drive"zou vallen,.. dan was je al in drive,..
[medeverdachte 4] : we moeten gaan zitten wachten om te kijken wie nog meer,..om weer door te gaan ,.. dan ben je in,...budget
[medeverdachte 6] : dat gaat snel snel het is zo voorbij
[medeverdachte 4] : jaah zo meteen
[medeverdachte 6] : broer klote,..
[medeverdachte 4] : jaah jij heb het verpest ,.. eigenlijk had "celebration"al voorbij moeten zijn,..maar jij heb het verpest,...
(…)
[medeverdachte 4] : jaah , nu krijgt iemand anders je budget
[medeverdachte 6] : WAT?
[medeverdachte 4] : jaah iemand anders heeft je budget gekregen,., daarom zeg ik jou, wanneer je terug bent moeten we kijken wat er nog meer is zodat je er weer in kan vallen [mee kan doen]
[medeverdachte 6] : jaah , maar het ding moet wel hetzelfde zijn
[medeverdachte 4] : de budget zal misschien niet hetzelfde zijn
Vervolgens is in het gesprek te horen dat [medeverdachte 3] op de achtergrond een ander telefoongesprek voert met een onbekende man, waarbij de telefoon op speaker staat. Het volgende wordt gezegd:
[medeverdachte 3] : ja, we hebben gezien wat je net gestuurd hebt.. die man is niet hier in de buurt toch?
Onbekende man: Nee, hij is niet hier in de buurt. Maandag en dinsdag...
1 juli 2021 was een donderdag. De maandag en dinsdag daaropvolgend was het 5 en 6 juli 2021.
Kort na dit telefoongesprek belt [medeverdachte 6] met zijn vriendin. [medeverdachte 6] vertelt haar dat hij geïrriteerd is omdat hij iets groots is kwijtgeraakt, qua werk.
Op 1 juli 2021 om 22:21 uur zijn in de telefoon van [medeverdachte 5] de zoektermen ingevoerd ‘wat speelt tussen peter r en kroongetuige nabil b’ en om 22:27 uur ‘peter r de vries beveiliging’.
In de telefoon van [medeverdachte 5] zijn op 2 en 3 juli 2021 de volgende zoektermen ingevoerd:
2 juli 2021 om 07:42 uur rtl boulevard adres
2 juli 2021 om 08:25 uur Leidseplein Amsterdam
2 juli 2021 om 08:26 uur Mcdonald's Amsterdam Leidsestraat
2 juli 2021 om 14:08 uur rtl boulevard peter r de vries
3 juli 2021 om 11:51 uur mcdonalds leidsestraat
3 juli 2021 om 12:07 uur parking de hoofdstad ingang en uitgangspunt
5 juli 2021 om 16:31 uur hoe laat begint boulevard
[medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] rijden op 5 juli 2021 naar Amsterdam
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] volgt dat zij in de middag van 5 juli 2021 in Rotterdam zijn. Om 17:00 uur is er een ANPR-registratie van de Peugeot 206 met [kenteken 2] op de [adres 2] in Rotterdam. Deze auto werd gebruikt door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Het nummer van [medeverdachte 4] bevindt zich vervolgens om 18:38 uur in Tilburg, de woonplaats van [medeverdachte 5] .
Uit de ANPR-registraties volgt dat de Peugeot 206 om 19:19 uur over de A2 rijdt bij Vianen in de richting van Amsterdam. Vervolgens is de auto rond 20:00 uur in het centrum van Amsterdam en om 20:39 uur wordt de auto op de A1 bij Hoevelaken geregistreerd. Het telefoonnummer van [medeverdachte 5] straalt tussen 19:49 uur en 20:16 uur een zendmast aan in Amsterdam.
In de telefoon van [medeverdachte 5] zijn de volgende zoektermen ingevoerd:
5 juli 2021 om 15:40 uur Rotterdam tilburg
5 juli 2021 om 15:40 uur Apeldoorn
5 juli 2021 om 15:52 uur Amsterdam naar Apeldoorn
5 juli 2021 om 16:31 uur hoe laat begint rtl boulevard
5 juli 2021 om 19:44 uur mac leidseplein amsterdam
5 juli 2021 om 20:14 uur rtl boulevard gemist
5 juli 2021 om 21:33 uur broer nabil b geliquideerd
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 5 juli 2021 met de Peugeot 206 vanuit Rotterdam naar Tilburg zijn gereden om [medeverdachte 5] op te halen. Zij zijn met zijn drieën naar Amsterdam gereden. Zij waren gedurende ongeveer een half uur in het centrum van Amsterdam.
6 juli 2021
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn op 6 juli 2021 ook in Amsterdam en filmen het slachtoffer
Op 6 juli 2021 om 16:49 uur, wordt de Peugeot 206 met [kenteken 2] geregistreerd op de [adres 3] . Vervolgens rijdt de Peugeot 206, om 16:50 uur door de Maastunnel. Om 16:54 uur wordt de auto op de Erasmusbrug geregistreerd. De Peugeot 206 rijdt vervolgens naar Amsterdam.
Op 6 juli 2021 om 16:34 uur voert [medeverdachte 6] een telefoongesprek met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd:
[medeverdachte 6] : jaah wat doen jullie
[medeverdachte 4] : we zijn op een rustig hier nog steeds op werk
[medeverdachte 6] : nog steeds op werk
[medeverdachte 4] : ach jaah
[medeverdachte 6] : zitten jullie in de regen?
[medeverdachte 4] : nee we zitten in de auto
Op camerabeelden is te zien dat de Peugeot 206 met [kenteken 2] om 18:27 uur parkeert op de Prinsengracht in Amsterdam. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] stappen uit. Zij lopen over de Prinsengracht in de richting van de Leidsestraat. Zij komen om 18:33 uur aan bij eerdergenoemde McDonalds. [medeverdachte 3] gaat naar binnen, gevolgd door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] lijkt naar iets te wijzen in de McDonalds. [medeverdachte 3] loopt naar buiten en loopt ongeveer tien meter de Lange Leidsedwarsstraat in en kijkt bij de McDonalds door het raam naar binnen. Vervolgens kijkt hij in de richting van de achteruitgang van de RTL Boulevard-studio en loopt terug naar de ingang van de McDonalds en gaat naar binnen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] bestellen eten. Om 18:40 uur gaan zij met hun eten aan een tafeltje zitten rechts achterin, aan het raam. Vanaf die plek hebben zij zicht op de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard. Zij blijven hier vervolgens ruim drie kwartier zitten, tot 19:28 uur.
Kort nadat De Vries de studio verlaat, verlaten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de McDonalds via de nooduitgang. Na het vallen van de schoten beginnen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] te rennen richting De Vries. Zij hebben beiden op dat moment een telefoon in hun hand. Kort daarna staat [medeverdachte 3] vlakbij de plek waar De Vries op de grond ligt. Een aantal meter daarachter staat [medeverdachte 4] met een telefoon in zijn rechterhand. Om 19:30 uur lopen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op de Spiegelgracht in de richting van de Prinsengracht. Om 19:41 uur lopen zij over de Prinsengracht in de richting van de Peugeot 206, waarna zij in de auto stappen en wegrijden.
Vlak na het neerschieten van Peter R. de Vries circuleren er op het internet en sociale media meerdere filmpjes waarop te zien was dat Peter R. de Vries neergeschoten op de grond ligt. Eén van deze filmpjes is gemaakt door [medeverdachte 3] .
Na 6 juli 2021 – Gesprekken [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6]
In een spraakbericht van 14 juli 2021 zegt [medeverdachte 3] onder meer het volgende:
‘We gaan gewoon staan en we kijken naar de straat en zo… jaah het is gebeurd het is gebeurd.
Maar die mannen aan die kant die hebben grote domme dingen gedaan, 5 keer geluid en een in zijn hoofd. (…) Ik denk dat ze ook zijn begonnen met praten want op het nieuws staat er van alles zo van dat ze willen weten hoeveel die man betaald heeft om het te laten doen… dit en dat en ze hebben zelfs de naam van de grote man genoemd en zo’.
Op 28 juli 2021 voert [medeverdachte 6] vanuit de gevangenis een gesprek met [medeverdachte 3] . In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd:
[medeverdachte 3] : jaah maar men we hebben niks met die mannen te maken … want we kennen ze niet eens die clownen.
Op 26 oktober 2021 om 18:36 uur voert [medeverdachte 6] vanuit de gevangenis een gesprek met [medeverdachte 4] . In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd:
[medeverdachte 6] : vergeet niet vandaag naar opsporing verzocht te kijken
[medeverdachte 4] : omdat de mannen zijn blijven zeuren daarom ben ik gegaan… anders was ik niet gegaan
[medeverdachte 6] : jullie beiden… je kan zien dat ze beiden achter de man lopen gewoon. Je ziet dat die man aan komt, terug loopt, Men komt terug lopen… filmt die man in zijn gezicht
[medeverdachte 4] : ze hebben mij verhoord en ze hebben mij van alles gevraagd.
Ze bleven vragen stellen en ze zeiden dat die man belangrijk was en ik zei: “ik ken hem niet”.
[medeverdachte 6] : daarom zeg ik je, kijken naar opsporing verzocht, ik ga ook kijken … wat ze van jullie gezet hebben was gewoon op het nieuws laten zien maar ze zijn er niet meer op terug gekomen weet je
Maar… jullie werkten samen met die mannen
[medeverdachte 6] : Maar Men heeft dom gedaan die lul en hij is ook terug komen lopen
[medeverdachte 4] : jaa, toen heeft hij gebeld… toen heeft hij gebeld
[medeverdachte 6] : toen heeft hij gebeld
[medeverdachte 4] : … gebeld en is hij dicht bij die man gegaan en heeft hij gezegd: “kijk maar”.
Op 14 januari 2022 is [medeverdachte 4] op het politiebureau verhoord. Na afloop van het verhoor wordt [medeverdachte 4] opgehaald door [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) en daarna vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 4] , [persoon 4] en [persoon 5] . Het gesprek is middels OVC-techniek opgenomen en onder meer het volgende wordt gezegd:
[medeverdachte 4] : eigenlijk,.. kijk,.. ze weten het niet! Dat is het,... hahaah dat is de ding. Want [persoon 6] heeft 3 mensen de opdracht gegeven. En één van de mensen waarvan hij de opdracht heeft gegeven. Een van de mensen waarvan hij de opdracht aan heeft gegeven die heeft ons de opdracht gegeven om de klus te doen. Hij heeft ze gezegd om de straat in de gaten te houden, camera dit en dat etc. De straat in de gaten houden. Maar wij waren niet van plan om die dag te gaan. Maar ze zeiden: nee je moet nog één dag gaan. Want vergeet niet dat ik al twee keer ben gegaan, als ik al twee keer ben gegaan dan heb ik daar toch niks meer te zoeken.
Maar degene die ons de opdracht heeft gegeven die hebben ze daar ook in de buurt vastzitten.
[persoon 5] : dan hebben ze iedereen gepakt dan?
[medeverdachte 4] : plus een maat die daar eigenlijk had moeten zijn maar die was er niet. Kijk de mensen hebben me gestuurd. Ze weten dat ik die man ben gaan bezoeken in de PI in Leiden en alles.
[persoon 4] : want de schutters willen niet takkie... Zo zegt het nieuws. De schutters willen niet meer praten broer
[medeverdachte 4] : ze hebben me in de McDonalds aan het eten en zo. Nee, want de broer was met me aan het kijken dat de man naar buiten komt.
[persoon 5] : om wat te doen?
[medeverdachte 4] : hahah. Om hem te zien toch. Omdat de mensen geen foto wilden geven. Want ze weten wie de persoon is, maar ze willen geen foto geven zodat ik niet ga zeggen: ow jee, nee deze persoon niet snap je? Want ze wilden dat we dat ding zouden doen.
[persoon 5] : zonder te weten wie het is, daarom zijn jullie je in een situatie terecht gekomen. Dat jullie niet weten wie jullie moeten gaan vermoorden.
[medeverdachte 4] : jaah dat was de ding
[persoon 5] : ze laten jullie daar iemand gaan vermoorden zonder dat jullie weten hoe en wat en wie het is.
[persoon 4] : en een journalist ook bro
[medeverdachte 4] : want toen ze de prijs noemde zei ik oké een mooi bedrag
[persoon 4] is op 18 oktober 2023 bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat het OVC-gesprek van 14 januari 2022 gaat over Peter R. de Vries en dat [medeverdachte 4] heeft verteld dat hij ervan wordt verdacht dat hij op de uitkijk heeft gestaan.
Rol van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6]
Uit het bewijs volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] meerdere voorverkenningen hebben uitgevoerd. Deze voorverkenningen vonden plaats in verband met een voorgenomen moord op De Vries. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wisten dat De Vries op 6 juli 2021 neergeschoten zou worden. [medeverdachte 4] beschrijft zijn rol in zijn gesprek met [persoon 5] . Hij vertelt dat hij met [medeverdachte 3] op 6 juli 2021 naar Amsterdam is gegaan om (naar hij later kennelijk heeft begrepen) De Vries te zien als hij naar buiten zou komen. [medeverdachte 4] vertelt tegen [medeverdachte 6] dat hij er al twee keer eerder was geweest. Uit het gesprek tussen [medeverdachte 4] en [persoon 5] blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wisten dat zij voorverkenningen uitvoerden in verband met een moord. [medeverdachte 4] vertelt namelijk aan [persoon 5] dat zij zijn gegaan om De Vries te zien omdat de opdrachtgevers geen foto hadden gegeven van de persoon die vermoord moest worden. [persoon 5] trekt de conclusie dat zij dus in de situatie zijn gekomen dat zij niet wisten wie zij moesten vermoorden. [medeverdachte 4] bevestigt deze conclusie: Ja, dat was de ding’. Voor alle duidelijkheid herhaalt [persoon 5] dat zij – de opdrachtgevers – hen dus iemand laten vermoorden zonder dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wisten wie het was. Het was duidelijk dat er iemand vermoord zou worden, nog onduidelijk was wie het slachtoffer was.
De betrokkenheid van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] bij het plan om een ernstig geweldsmisdrijf te plegen was niet eenmalig, zoals blijkt uit wat hiervoor is beschreven over de betrokkenheid van [medeverdachte 4] bij het plan om [persoon 1] zwaar te mishandelen en uit wat hierna nog zal worden beschreven over de betrokkenheid van beiden bij het plan om een ernstig geweldsmisdrijf te plegen tegen een persoon met de (bij)naam [bijnaam 1] . Dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] het oog hadden op nog meer geweldsklussen blijkt ook uit het gesprek tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 1 juli 2021.
Op 1 juli 2021 om 19:49 uur, voert [medeverdachte 6] vanuit de gevangenis een telefoongesprek met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . In het gesprek – dat hiervoor al gedeeltelijk al is weergegeven – wordt het volgende gezegd:
[medeverdachte 6] : waar zijn jullie mee bezig. Met kijken naar werk?
[medeverdachte 3] : we zijn hier... “observation”
[medeverdachte 6] : “observation”
[medeverdachte 4] : ja, “observation” voor “celebration” om te kunnen blijven kloten
[medeverdachte 6] : het is zo meteen zover,..... een maand is al voorbij
[medeverdachte 4] : jaah,.... maar als je eruit ben dan moeten we zitten wachten totdat het weer zover is,..
(…)
[medeverdachte 4] : Men zegt dat hij je niks geeft van zíjn budget
[medeverdachte 6] : Men. zegt dat hij mij niks geeft van de budget?
(…)
[medeverdachte 6] : Hebben jullie al iets te doen gekregen?
[medeverdachte 4] : hoor je niet dat we op “observation voor celebration” zijn
[medeverdachte 6] : een andere of hetzelfde?
[medeverdachte 4] : op hetzelfde nog steeds
(…)
[medeverdachte 6] : jullie beide zelf ?
[medeverdachte 4] : jaah daarom als je terug bent dan moeten we iets hebben dat jij ook van partij bent ... dat is het,.
[medeverdachte 4] : jaah want als je naar buiten komt en er is niks dan moeten we weer gaan
zitten wachten, dit en dat
(…)
[medeverdachte 4] : hahah je had er moeten zijn zodat je in "drive" zou vallen,.. dan was je al in drive,..
[medeverdachte 4] : we moeten gaan zitten wachten om te kijken wie nog meer,..om weer door te gaan ,.. dan ben je in,...budget
[medeverdachte 6] : dat gaat snel snel het is zo voorbij
[medeverdachte 4] : jaah zo meteen
[medeverdachte 6] : broer klote,..
[medeverdachte 4] : jaah jij heb het verpest ,.. eigenlijk had "celebration"al voorbij moeten zijn,..maar jij heb het verpest,...
(...)
[medeverdachte 4] : jaah , nu krijgt iemand anders je budget
[medeverdachte 6] : WAT?
[medeverdachte 4] : jaah iemand anders heeft je budget gekregen,., daarom zeg ik jou, wanneer
je terug bent moeten we kijken wat er nog meer is zodat je er weer in kan vallen [mee kan doen]
[medeverdachte 6] : jaah , maar het ding moet wel hetzelfde zijn
[medeverdachte 4] : de budget zal misschien niet hetzelfde zijn
Kort na dit telefoongesprek belt [medeverdachte 6] met zijn vriendin. [medeverdachte 6] vertelt haar dat hij geïrriteerd is omdat hij iets groots is kwijtgeraakt, qua werk.
Uit dit bewijs wordt duidelijk dat [medeverdachte 6] had moeten meedoen met de werkzaamheden ten behoeve van een moordaanslag op De Vries, maar dit is niet doorgegaan doordat hij vast kwam te zitten. Als [medeverdachte 6] op 1 juli 2021 hoort dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op ‘observation’ zijn, gaat [medeverdachte 6] er niet zonder meer vanuit dat het gaat om de observatie van De Vries, hij vraagt namelijk of zij bezig zijn met ‘een andere of hetzelfde’. [medeverdachte 6] gaat er dus vanuit dat er vaker een observatieklus wordt uitgevoerd. Dit wijst erop dat de werkzaamheden van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] niet eenmalig waren, maar dat zij vaker dit soort werkzaamheden verrichten. [medeverdachte 4] vertelt [medeverdachte 6] dat het gaat om ‘hetzelfde’, waarna [medeverdachte 6] teleurgesteld reageert als hij ook te horen krijgt dat zijn budget naar een ander zal gaan. [medeverdachte 6] overlegt vervolgens met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] om ander werk te regelen voor wanneer hij weer vrij zou zijn, een zelfde soort klus: ‘hetzelfde’.
Geweld richting [bijnaam 1]
In de loop van augustus 2021 vindt er communicatie plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] en tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Uit deze communicatie blijkt dat men op zoek is naar een persoon met de (bij)naam [bijnaam 1] . Het is de bedoeling dat [bijnaam 1] zwaar wordt mishandeld of vermoord.
Op 31 juli 2021 laat [medeverdachte 8] aan [verdachte] weten dat [bijnaam 1] die dag naar huis is gegaan, waarop [verdachte] verbaasd reageert: ‘Meen je niet’.
Op 10 augustus 2021 vindt het volgende chatgesprek plaats waarin wordt gesproken over [bijnaam 1] . Het gaat om een gesprek tussen [verdachte] ( [chatnaam 2] ) en [chatnaam 3] .
10-08-2021 01:47 [chatnaam 2] Oorlog
10-08-2021 01:47 [chatnaam 3] Wat is er gebeurd?
10-08-2021 01:47 [chatnaam 3] Met wie?
10-08-2021 01:47 [chatnaam 2] [bijnaam 1]
10-08-2021 01:47 [chatnaam 3] Ik had je gezegd dat hij te blij is geworden
10-08-2021 01:47 [chatnaam 3] Hij is bijna aan de beurt
10-08-2021 01:48 [chatnaam 2] Man
10-08-2021 01:48 [chatnaam 2] bloed
10-08-2021 01:49 [chatnaam 2] Die rode kerel
10-08-2021 01:49 [chatnaam 2] Laat hen [bijnaam 2] ( [bijnaam 2] ) spreken
[verdachte] vraagt hier [chatnaam 3] om ‘die rode kerel’ contact op te laten nemen met ‘ [bijnaam 2] ’ ( [taal] voor ‘ [bijnaam 2] ’). Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 4] bijnamen heeft die variaties zijn op ‘rood’, namelijk Kora ( [taal] voor rood) en Red. [bijnaam 2] is één van de bijnamen van [medeverdachte 8] . In dit gesprek vraagt [verdachte] dus aan [chatnaam 3] om [medeverdachte 4] contact op te laten nemen met [medeverdachte 8] .
Rond datzelfde moment stuurt [verdachte] de volgende berichten naar [medeverdachte 8] ( [chatnaam 4] ):
10-08-2021 01:46
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
Blood
10-08-2021 01:49
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
Nu
10-08-2021 01:50
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
man
10-08-2021 01:50
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
De maat van kora
10-08-2021 01:50
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
Neem contact op met ze
10-08-2021 01:50
[verdachte]
NN [chatnaam 4]
om werk te regelen van [bijnaam 1] en jo
In dit gesprek vraagt [verdachte] dus aan [medeverdachte 8] om contact op te nemen met [medeverdachte 4] en zijn maat.
Om 02:15 uur reageert [medeverdachte 8] : ‘ik heb al met die man gesproken en hij zei dat hij die man gelijk ging gassen gelijk gelijk,..’.
Op 12 augustus 2021 vindt er vanaf 11:07 uur een chatgesprek plaats tussen ‘ [chatnaam 5] ’ en [verdachte] . [chatnaam 5] is een gebruikersnaam van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vraagt [verdachte] om twee zwarte helmen te regelen, een brommer en een schone auto. [verdachte] zegt dat ‘gelijk gezet moet worden’ als hij bij de shisa zaak is. [medeverdachte 3] zegt dat hij de straat al heeft bekeken en dat ze de auto iets verder zetten. Om 22:52 bericht [verdachte] aan [chatnaam 3] dat de mannen zijn gegaan. De man ging bespieden en trof al die mannen, [bijnaam 3] en [bijnaam 1] . De mannen hebben [verdachte] gezegd dat er gas gegeven kan worden. [verdachte] draagt in dit gesprek op [chatnaam 3] op om ‘de dingen’ te halen of te regelen, gevolgd door een emoticon voor vuur. [chatnaam 3] reageert: ‘Nou, gas die mannen! Gas die mannen, bloed! (..) Meteen! Achter het hoofd oh... Echt’ Iets later stuurt [verdachte] een spraakbericht door waarin [medeverdachte 4] zegt dat er een auto nodig is. Iemand op de achtergrond zegt dat er ook helmen nodig zijn. Misschien doen ze het morgen doodgewoon. Uit het spraakbericht volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ‘hebben rondgelopen’ en de ‘straat in de gaten hebben gehouden’. [verdachte] zegt tegen [chatnaam 3] dat het heftig wordt waarop [chatnaam 3] zegt dat het ‘mondiaal’ wordt, ‘nooit meer zullen ze het huis uit gaan’. [verdachte] zegt dat hij hen de dingen zal leveren, maar dat ze een ‘toy’ nodig hebben. Op 14 augustus 2021 zegt [verdachte] tegen [chatnaam 3] dat hij een ‘pipa’ (straattaal voor een vuurwapen) heeft gegeven aan de mannen.
Uit het bewijs volgt dat [medeverdachte 8] met [verdachte] spreekt over een persoon met de (bij)naam [bijnaam 1] . [verdachte] laat aan [medeverdachte 4] vragen contact op te nemen met [medeverdachte 8] . [verdachte] vraagt ook aan [medeverdachte 8] om contact op te nemen en werk te regelen met betrekking tot pig (het hof begrijpt: [bijnaam 1] ). [medeverdachte 8] zegt in reactie op die vraag dat hij de man heeft gesproken en dat die man gelijk ging gassen. Het hof houdt er rekening mee dat de term ‘gassen’ meerdere betekenissen kan hebben, zoals ‘schieten’ of ‘haast maken’. Dat het hier gaat om het toepassen van aanzienlijk geweld blijkt uit het bericht van [chatnaam 3] waarin hij spreekt over ‘gas die mannen, bloed!’ en ’achter het hoofd’. [verdachte] zegt in dat gesprek dat het heftig wordt. Ook spreekt [verdachte] over een ‘toy’ en een ‘pipa’ (het hof begrijpt telkens: een vuurwapen). Het hof volgt de verdediging dan ook niet dat onduidelijk is of het plan was een zware mishandeling of een moord te plegen.
Uit het bewijs volgt dat er verschillende rollen zijn. [verdachte] vraagt [medeverdachte 8] om [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in te schakelen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben rondgelopen en de straat in de gaten gehouden. [verdachte] regelt helmen en vervoersmiddelen. Ook regelt [verdachte] een vuurwapen via [chatnaam 3] .
Uit de dossierstukken kan worden afgeleid dat men ervan heeft afgezien om het geweld te plegen. Dit neemt echter niet weg dat het samenwerkingsverband van plan was om ernstig geweld te plegen tegen [bijnaam 1] en ook dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals hiervoor al is toegelicht, is voor de beoordeling niet van belang of het misdrijf daadwerkelijk is gepleegd.
In een telefoongesprek op 23 augustus 2021 vertelt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 6] over een situatie waarin hij vuurwapens, vermoedelijk automatische aanvalsgeweren heeft gekregen. Er zou laatst iets gedaan worden waarbij zij twee grote dingen hadden gekregen, die dingen die je gebruikt in ‘Call of Duty’ – oorlogsspellen voor de computer –, die je moet vasthouden. Als [medeverdachte 6] voor alle duidelijkheid vraagt of het gaat om die dingen die je aan je schouder moet hangen, bevestigt [medeverdachte 3] dat hij dat bedoelt. Gelet op de inhoud van het gesprek, en de vaststelling dat de gespreksdeelnemers elkaar begrijpen, wordt duidelijk dat [medeverdachte 3] bedoelt dat zij vuurwapens, vermoedelijk automatische aanvalsgeweren, hadden gekregen. Uiteindelijk is de klus niet doorgegaan.
Het hof kan niet vaststellen of dit gesprek gaat over het plan om geweld te plegen tegen [bijnaam 1] . Voor de waardering van het bewijs maakt dat echter geen verschil. Duidelijk is dat [medeverdachte 3] vuurwapens heeft gekregen voor een klus. Het bewijst dat [medeverdachte 3] wederom betrokken is bij een geweldsklus.
Verblijfplaats en vervoer
Uit het bewijs blijkt het volgende over de organisatie van de verblijfplaatsen en het vervoer van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Vanaf 10 mei 2021 stralen de telefoons van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] masten aan in [plaats] .
Op 17 mei 2021 stuurt [medeverdachte 8] naar [verdachte] een Google-mapslocatie gevolgd door een bericht dat daar de auto’s heen moeten. De locatie is het adres [adres 4] . [verdachte] vraagt hoe de auto’s daar kunnen staan terwijl waar de klus moet plaatsvinden daar meer dan drie uur vandaan is. Op 24 mei 2021 peilt de telefoon van [verdachte] uit op [adres 4] .
Op 28 mei 2021 komt de politie op het adres [adres 5] wegens geluidsoverlast. In de woning worden [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aangetroffen. [medeverdachte 6] wordt aangehouden in verband met een openstaande gevangenisstraf van 144 dagen.
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] maakten op 6 juli 2021, de dag van de moord op De Vries, gebruik van een Peugeot 206 met [kenteken 2] . Deze auto stond van 19 mei 2021 tot en met 22 juni 2021 op naam van een neef van [verdachte] . Deze neef bedankt [verdachte] op 20 mei 2021 voor deze auto. Het is dus [verdachte] die deze auto heeft geregeld. Op 17 juni 2021 stuurt [verdachte] diverse foto's naar [medeverdachte 8] van de Peugeot met [kenteken 2] . Op 18 juni 2021 heeft [medeverdachte 3] een telefoongesprek met [medeverdachte 6] waarin hij zegt dat hij 'die bro' gister heeft gesproken en dat die auto geregeld is. Vanaf 22 juni 2021 staat deze auto op naam van [persoon 7] , de vriendin van [verdachte] .
In de telefoon van [verdachte] zijn afbeeldingen aangetroffen die te maken hebben met een boete voor een
snelheidsovertreding die met dit voertuig is gemaakt op 06 juli 2021 om 17:38 uur.
Uit dit bewijs volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 6] in [plaats] verblijven totdat hij op 29 mei 2021 werd aangehouden. De auto die [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gebruiken bij onder andere de voorverkenningen voor een voorgenomen moord op De Vries, is geregeld door [verdachte] . Het is ook [verdachte] die deze auto in [plaats] heeft neergezet. [verdachte] heeft dat gedaan op verzoek van [medeverdachte 8] .
Op 3 juni 2021 vindt tussen [medeverdachte 8] en [verdachte] een chatgesprek plaats over geld voor het huren van een huis, dit geld moet op een pasje worden gezet. Van 5 juni 2021 tot en met 14 juni 2021 verblijven [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in het [hotel] in Amsterdam. Het hotel blijkt te zijn geboekt door [persoon 8] . Op 4 juni 2021 ontvangt [persoon 8] afbeeldingen van het paspoort van [medeverdachte 4] en van [medeverdachte 3] . Op de telefoon van [persoon 8] is ook een afbeelding aangetroffen van een boeking, via [website] , van [hotel] van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021. Deze afbeelding wordt op 4 juni 2021 doorgestuurd.
Op 10 juni 2021 stuurt [medeverdachte 8] een spraakbericht aan [verdachte] waarin hij zegt dat de mannen uit het hotel moeten. [medeverdachte 8] vertelt dat hij moet kijken naar iemand om geld te sturen zodat ze nog een dag kunnen betalen. [verdachte] reageert daarop dat hij de mensen heeft aangesproken om geld te halen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben hun verblijf in het [hotel] verlengd. Dit is ter plaatse in het hotel geregeld en heeft geresulteerd in een verlengd verblijf van 10 tot en met 13 juni 2021.
Op 13 juni 2021 vraagt [medeverdachte 8] aan [verdachte] of hij het hotel voor die mannen kan betalen en of hij iemand heeft die snel € 250,- kan storten. [medeverdachte 8] stuurt vervolgens betaalverzoeken aan [verdachte] . Een tweede verlenging van het verblijf van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is weer via [website] aangevraagd voor één extra nacht van 13 juni 2021 op 14 juni 2021.
[persoon 8] verricht op 4 juni 2021 en 13 juni 2021 betalingen aan [website] . Voordat [persoon 8] op 13 juni 2021 deze betaling aan [website] verricht, ontvangt hij geldbedragen via de bankrekening op naam van [persoon 9] . [persoon 10] , een ex van [medeverdachte 8] , heeft verklaard dat zij feitelijk die bankrekening gebruikt en dat zij dat doet voor [medeverdachte 8] .
In een telefoongesprek met [medeverdachte 6] vertellen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 18 juni 2021 dat zij in Rotterdam in een studio verblijven. [medeverdachte 6] merkt op dat ze hen weer (in een klote zooi) hebben ondergebracht. [medeverdachte 4] bevestigd dat; het is een studio waarbij de keuken en de badkamer gedeeld moeten worden.
Uit dit bewijs volgt dat de woonruimte voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] door anderen is geregeld. [medeverdachte 8] zet zich ervoor in dat daarvoor geld beschikbaar wordt gesteld. [persoon 8] wordt ingezet voor het boeken en betalen van het hotelverblijf. Als het hotelverblijf moet worden verlengd, verzoekt [medeverdachte 8] aan [verdachte] om te zorgen dat dit betaald kan worden.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat de betalingen ook een sociale achtergrond kunnen hebben. Het is in een vrienden- of familierelatie immers gebruikelijk voor een ander te betalen of geld te lenen. Het hof merkt allereerst op dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd over de achtergrond van betalingen. Verder is van belang dat deze betalingen niet op zichzelf staan. Uit het bewijs volgt dat [medeverdachte 8] en [verdachte] een rol hebben in de criminele organisatie, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt in de communicatie over [bijnaam 1] . Het hof gaat ervan uit dat zij zich hebben ingespannen voor verblijf en vervoer voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ten behoeve van hun activiteiten voor de organisatie. Dat het gaat om betaling in het kader van een vrienden- of familierelatie is ook niet aannemelijk geworden.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] werkzaamheden uitvoerden die te maken hadden met zware mishandeling en met moord. Beiden zijn bezig geweest met voorverkenningen die verband hielden met een moord op De Vries. Ook hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] een voorverkenning uitgevoerd voor een geweldsklus richting een persoon met de (bij)naam [bijnaam 1] . Daarnaast is [medeverdachte 4] bezig geweest met een geweldsklus richting [persoon 1] die zwaar mishandeld moest worden.
Het is [verdachte] die [medeverdachte 4] heeft aangestuurd bij de geweldklus richting [persoon 1] . [verdachte] geeft specifieke aanwijzingen; waar een voertuig is klaar gezet, in welke auto het slachtoffer rijdt en wat er precies moet gebeuren. Ook bij de geweldsklus richting [bijnaam 1] heeft [verdachte] een coördinerende rol. [verdachte] is verder betrokken bij het regelen van woonruimte, vervoer en voertuigen en het doen van betalingen. [verdachte] heeft daarover contact met [medeverdachte 8] .
Op 29 juni 2021 stuurt [medeverdachte 8] een foto naar [verdachte] met de vraag ‘Ken je die klootzak?’ [verdachte] reageert op die vraag met een spraakbericht waarin hij zegt dat hij daar wel achter komt. [verdachte] stelt daarbij aan [medeverdachte 8] de vraag wat diegene gedaan heeft en of [medeverdachte 8] ‘werk’ heeft. Het hof begrijpt dezelfde soort ‘werkzaamheden’ als hiervoor uiteengezet.
Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat er een samenwerkingsverband was met (gelet op de tijdspanne) een zekere duurzaamheid en (gelet op de te onderscheiden handelingen die kunnen worden onderverdeeld in ondersteunend, aansturend en uitvoerend) structuur en ook dat deze organisatie het oogmerk had tot het plegen van zware geweldsmisdrijven, zoals zware mishandeling (met voorbedachten rade) en moord. Het plan was om het geweld tegen [persoon 1] en [bijnaam 1] te plegen met gebruik van vuurwapens en dus ook met munitie. Dit betekent dat de organisatie ook het oogmerk had die vuurwapens en munitie voorhanden te hebben.
De verdachte behoorde tot het samenwerkingsverband en heeft een aandeel gehad die rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de organisatie het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen. Om die reden zal de verdachte van dat bestanddeel in het aan hem ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. Dat oordeel komt overeen met de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij in de periode van 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] en een of meer anderen
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
  • zware mishandeling met voorbedachten rade,
  • het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

8.Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich bij de rechtbank in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 64.394,52. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de oorspronkelijke vordering verminderd met € 5.000,00, door de post ‘toekomstige medische kosten/eigen risico’ niet langer te handhaven. De vordering tot schadevergoeding bedraagt in hoger beroep in totaal € 59.394,52 en bestaat uit de volgende posten:
-
immateriële schade (totaal)€ 57.500,00
a) affectieschade € 17.500,00
b) schokschade € 40.000,00
-
materiële schade (totaal)€ 1.894,52
a) kosten veiligheidsmaatregelen € 358,00
b) reiskosten € 814,11
c) eigen risico in verband met GGZ € 722,41
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. De affectieschade is toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de schokschade tot een bedrag van € 20.000,00. De kostenpost ‘eigen risico in verband met GGZ’ van € 722,41 is volledig toegewezen als materiële schokschade. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 58.222,41. De posten ‘kosten veiligheidsmaatregelen’ en ‘reiskosten’ komen niet voor toewijzing in aanmerking, maar de overige posten kunnen volgens de advocaat-generaal geheel worden toegewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deelname aan een criminele organisatie onvoldoende is voor een civielrechtelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De verdachte wordt wel veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie. Het hof is echter van oordeel dat onvoldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden.
De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen. Zij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

9.Oplegging van straf

De rechtbank heeft [verdachte] vrijgesproken en dus geen straf opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor deelneming aan een criminele organisatie zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar voor het geval het hof toch tot een veroordeling komt, verzocht een veel lagere straf op te leggen dan is geëist.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
[verdachte] wordt veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie. Deze organisatie had tot doel het plegen van ernstige geweldsmisdrijven. Deelneming aan zo’n organisatie is een zeer ernstig strafbaar feit, waarop maximaal tien jaar gevangenisstraf staat. [verdachte] had een meer sturende taak en zorgde ervoor dat anderen de beschikking kregen over vervoermiddelen, verblijfplaatsen en wapens. Hij zorgde in dat verband ook voor betalingen. Dat zal de uiteindelijke drijfveer voor de deelnemers van de organisatie zijn geweest: geld. Dit alles rechtvaardigt een forse gevangenisstraf.
Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft [verdachte] niet heel veel losgelaten. Hij zou bedrijven bezitten in Nederland en op Curaçao. In elk geval zijn er geen persoonlijke omstandigheden bekend geworden waarmee in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden.
Dan is er tenslotte nog het strafblad van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. In zijn nadeel werkt een veroordeling door de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2017 voor het bezit van vuurwapens tot een gevangenisstraf van achttien maanden. Daarnaast houdt het hof op grond van artikel 63 Sr rekening met een veroordeling door de rechtbank Rotterdam van 14 april 2022 voor de handel in verdovende middelen en vuurwapens tot vijf jaar gevangenisstraf.
Het voorgaande leidt ertoe het hof een gevangenisstraf van 4 jaar passend en geboden acht.
Het hof is nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep bij het hof heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. In de zaak van de verdachte geldt als uitgangspunt dat de strafzaak moet zijn afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 3 april 2023 omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Op 12 juni 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen, dit is dus binnen de redelijke termijn. Ook in hoger beroep is er geen overschrijding van de redelijke termijn. Door de verdediging is overigens ook geen beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het openbaar ministerie heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd. Het hof stelt vast dat de verdachte al in de procedure bij de rechtbank in vrijheid is gesteld. Het hof ziet geen feiten of omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het nodig is om de verdachte gevangen te nemen zodat hij een eventueel beroep in cassatie niet in vrijheid mag afwachten. De enkele omstandigheid dat hij wordt veroordeeld tot een lange gevangenisstaf is daarvoor onvoldoende. Het hof wijst de vordering dan ook af.

10.Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
  • een iPhone 5C (PL2600-LERAB21004_732615; IBN-code: NORG20.01)
  • een Peugeot met [kenteken 2] (PL2600-LERAB21004_682977; IBN-code: 10HFG.01.)
De advocaat-generaal heeft verzocht beide voorwerpen verbeurd te verklaren.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel hof
Ten aanzien van de iPhone 5c
Het hof stelt vast dat het mogelijke gebruik van de iPhone 5c door [verdachte] met het telefoonnummer eindigend op [nummer] buiten de tenlastegelegde periode van de bewezenverklaarde deelname van [verdachte] aan de criminele organisatie valt. Het hof zal ten aanzien van de iPhone 5c dan ook teruggave aan [verdachte] gelasten, nu deze iPhone aan [verdachte] toebehoort en niet is gebleken dat deze iPhone in relatie staat tot het bewezenverklaarde strafbare feit.
Ten aanzien van de Peugeot
Het hof zal eveneens de teruggave van de Peugeot gelasten. Het hof kan op basis van het dossier noch op grond van wat er ter terechtzitting is besproken de waarde van de Peugeot vaststellen of schatten. Dat is wel een voorwaarde voor een verbeurdverklaring omdat dit een bijkomende straf betreft.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Vonnis van de rechtbank

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt over het bewijs.

13.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • een iPhone 5C (PL2600-LERAB21004_732615; IBN-code: NORG20.01)
  • een Peugeot met [kenteken 2] (PL2600-LERAB21004_682977; IBN-code: 10HFG.01.)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 december 2025.