De zaak betreft een machtiging tot uithuisplaatsing van een 7-jarige minderjarige bij de vader, verleend door de kinderrechter Amsterdam voor de periode van 27 februari 2025 tot 27 februari 2026. De moeder is het eens met de ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de uithuisplaatsing en verzoekt om afwijzing of verkorting van de machtiging. De Raad voor de Kinderbescherming en de vader steunen de machtiging.
In hoger beroep bevestigt het hof dat de machtiging noodzakelijk is vanwege een onveilige situatie bij de moeder. Dit volgt onder meer uit een incident in september 2024 waarbij de moeder de schooldirectrice belaagde en mishandelde, wat leidde tot een taakstraf en een beschermingsonderzoek. De minderjarige is getuige geweest van conflicten tussen de ouders, wat zijn ontwikkeling bedreigt.
Het hof constateert dat de machtiging tot uithuisplaatsing ook nu nog noodzakelijk is, mede door een recent conflict tussen de ouders rondom de verjaardag van de minderjarige. De moeder slaagt er niet in om voldoende stabiliteit en veiligheid te bieden. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de moeder af. De maatregel is noodzakelijk en proportioneel ter bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige.