13.2.1.Politieambtenaren
[politieambtenaar 19] , [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 6] , [politieambtenaar 22] , [politieambtenaar 14] , [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 25] , [politieambtenaar 16] , [politieambtenaar 15] , [politieambtenaar 18] , [politieambtenaar 11] , [politieambtenaar 21] en [politieambtenaar 26]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, met uitzondering van de vordering van [politieambtenaar 26] , € 875,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag. De vordering van [politieambtenaar 26] was hoger maar is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 875,00. In hoger beroep is de vordering, voor zover toegewezen, aan de orde.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 875,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair of 2 meer subsidiair of 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. De schadevergoedingsmaatregel zal wat betreft de benadeelde partijen [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 14] voor een ander bedrag worden opgelegd op elders in dit arrest te bespreken gronden.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 372,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 801,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 13] , [politieambtenaar 24] , [politieambtenaar 12] en [politieambtenaar 17]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof onderzocht wat de hoogte van de initiële vordering van [politieambtenaar 17] is geweest. De advocaat van de benadeelde partij heeft betoogd dat dit € 12.000,00 is geweest. Het hof stelt vast dat de rechtbank blijkens het vonnis de vordering zo heeft opgevat dat deze € 1.750,00 bedroeg. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat in de appelfase e hoogte van zijn vordering in eerste aanleg onvoldoende opgehelderd en teveel onduidelijkheid laten bestaan. Daarom gaat ook het hof uit van € 1.750,00.
De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 1.750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 meer subsidiair of 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vorderingen voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 561,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 990,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 4]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 2.625,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 2.625,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder feit 1 en onder feit 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vorderingen voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. [politieambtenaar 5] heeft zestien sessies bij een GZ-psycholoog gehad, waarbij ook EMDR-traumatherapie is ondergaan en het geestelijk letsel is met stukken van ARQ onderbouwd. [politieambtenaar 4] heeft naar aanleiding van de schietincidenten vier sessies gehad bij een GZ-psycholoog met EMDR therapie en cognitieve gedragstherapie.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 654,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 1.083,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de initiële vordering
€ 12.000,00 bedroeg. Blijkens het vonnis, waarin melding wordt gemaakt van een volledige toewijzing van de vordering, is de rechtbank ervan uitgegaan dat deze € 2.625,00 bedroeg.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof hierover vragen gesteld aan de advocaat van de benadeelde partij. Hij heeft gezegd dat zijn opmerkingen in eerste aanleg, gemaakt op schrift en ter terechtzitting, zo moeten worden begrepen dat hij, gelet op het toestandsbeeld dat in eerste aanleg bestond, begrip zou hebben voor toewijzing van een lager bedrag. Inmiddels is gebleken dat bij de betrokkene PTSS is vastgesteld en dat er sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Uit de processtukken blijkt dat de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn reactie op de pleidooien in alle zaken bij wijze van, zoals hij het noemde, ‘een iets uitgebreidere motivering’, heeft verwezen naar de klachten die de benadeelde partij in die fase had. Daarom ‘verzocht’ hij toekenning van een lager bedrag. Van betekenis is dan de volgende toevoeging. ‘Indien voorafgaand aan een behandeling in hoger beroep door de psycholoog een ziektebeeld en een vermoedelijk causaal verband met het incident wordt vastgesteld, zal alsdan de toekenning van een hoger bedrag worden verzocht.’ Voorts stelt het hof vast dat in het voegingsformulier ongeclausuleerd het bedrag van € 12.000,00 is genoemd. Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de advocaat weliswaar in ongelukkige bewoordingen heeft bijgedragen aan het ontstaan van het misverstand, maar dat hierin onvoldoende grond is gelegen om in hoger beroep niet uit te gaan van een vordering ter hoogte van € 12.000,00.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 3 bewezenverklaarde. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering en de brieven van ARQ van
23 januari 2024 en 25 juli 2024 voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Hij heeft ernstige PTSS-klachten en is in september 2022 ziek gemeld, waarvoor hij in 17 sessies onder meer EMDR-therapie heeft gehad met het accent op de gebeurtenissen op 19 mei 2021. Er is inmiddels sprake van herstel maar betrokkene is nu nog voor 40% arbeidsongeschikt.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen en gelet op de wijze waarop de rechtbank de vordering heeft opgevat, de kosten rechtsbijstand op € 654,00 plus
€ 1.214,00. Dat is totaal € 1.868,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit een rapport van ARQ van 22 september 2022) die nog steeds voortduren. Deze hebben geresulteerd in gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 933,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.147,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 42.040,00 aan materiële schade, bestaand in de gevolgen van studievertraging, beide te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor zover het de immateriële schade betreft bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag. Wat het materiële deel is zij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit een rapport van ARQ van 26 mei 2022) die nog steeds voortduren. Zij heeft thans een andere functie binnen de politie, omdat zij niet langer in staat was om operationele werkzaamheden uit te voeren.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
De vordering tot vergoeding van materiële schade is in hoger beroep teruggebracht tot een bedrag van
€ 11.577,50. Ook ten aanzien van deze vordering is het de vraag wat er in eerste aanleg aan schadevergoeding is gevorderd. De stukken bieden aanknopingspunten voor de conclusie dat de vordering niet meer bedroeg dan € 5.618,75. De gevolgen daarvan kunnen echter onbesproken blijven gelet op het navolgende. Het staat vast dat de betrokkene ernstige klachten, verband houdend met het opgelopen trauma, heeft gekregen en nog steeds heeft. Dat heeft het hof aanleiding gegeven om de vordering wat het immateriële deel betreft geheel toe te wijzen. Het is zonder meer voorstelbaar dat deze situatie ook gevolgen heeft gehad voor het verloop van de studie die de benadeelde partij volgde. Hoewel hierover een debat van voldoende kwaliteit ter terechtzitting heeft plaatsgehad zou elke begroting van de schade, in het licht van de ingenomen standpunten, tot te veel complicaties leiden. Als gevolg van een gebrek aan feiten die door het hof als vaststaand kunnen worden aangenomen bestaan er ook onvoldoende aanknopingspunten voor het hof om van zijn schattingsbevoegdheid gebruik te maken. Nader onderzoek zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het hof zal voor het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 1.119,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.333,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Hoewel een daartoe strekkende beslissing van de rechtbank ontbreekt houdt het hof het ervoor dat de benadeelde partij voor het resterende deel niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering.
De vordering is in hoger beroep opnieuw volledig aan de orde.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit rapporten van ARQ van 11 februari 2022 en
5 april 2022) die nog steeds voortduren. Deze hebben erin geresulteerd dat zij voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard en dat aan haar eervol ontslag is verleend door de politie.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 1.119,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.333,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 28] , [politieambtenaar 29] en [politieambtenaar 30]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor het bedrag van € 12.000,00. Het gaat om immateriële schade, bestaand in shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep geheel afgewezen op de grond dat geen shockschade kan worden vastgesteld.
De vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw volledig aan de orde met dien verstande dat ten aanzien van de benadeelde partij [politieambtenaar 28] de vordering voor immateriële schade in hoger beroep is beperkt tot het bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij heeft bij wijze van primair standpunt herhaald dat sprake is van shockschade maar heeft in hoger beroep subsidiair ook betoogd dat er sprake is van schade in de vorm van geestelijk letsel die rechtstreeks verband heeft met de bewezen verklaarde feiten.
Voor deze drie benadeelde partijen geldt dat zij, anders dan de overige politieambtenaren die schadevergoeding vorderen, niet zijn vermeld op de tenlastelegging. Ter beoordeling staat daarom of de gestelde schade in voldoende rechtstreeks verband staat met feit 1, de diefstal met geweld in vereniging.
Naar het oordeel van het hof is niet aangetoond dat één van de benadeelde partijen shockschade heeft. Er is niet voldaan aan de voorwaarden zoals ontwikkeld in de rechtspraak.
Uit de stukken blijkt dat [politieambtenaar 28] geruime tijd ziek is geweest als gevolg van PTSS. Hij is goeddeels hersteld maar heeft door de omstandigheden een andere functie, te weten op kantoor, gekregen. Gelet op deze onderbouwing is het hof van oordeel dat het geestelijk letsel voldoende is onderbouwd en in voldoende mate in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit 1. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand in hoger beroep op € 1.214,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Uit de stukken blijkt dat [politieambtenaar 29] en [politieambtenaar 30] geruime tijd ziek zijn geweest. In toelichting is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel nu er sprake is van een gediagnosticeerde PTSS die heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Beide benadeelde partijen zijn eervol ontslagen. Gelet op deze onderbouwing is het hof van oordeel dat het geestelijk letsel voldoende is onderbouwd en in voldoende mate in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit 1. Het hof zal de omvang van de immateriële schade van beide benadeelde partijen op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand in hoger beroep per vordering op € 1.214,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor de toegewezen bedragen telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.