Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:3396

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.355.672/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:163 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ouderschapsplan en vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding

Partijen zijn in 2013 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen geboren in Ghana. De rechtbank Amsterdam sprak op 13 maart 2025 de echtscheiding uit en stelde gezamenlijk gezag vast. De vrouw stelde hoger beroep in tegen de echtscheiding, partneralimentatie en huwelijksvermogen, maar trok deze grieven later in.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 23 oktober 2025 wijzigden partijen hun verzoeken en bereikten overeenstemming over een ouderschapsplan, de zorgregeling en kinderalimentatie. Het hof stelde vast dat het verzoek tot opname van deze afspraken in het dictum kon worden toegewezen, mede omdat partijen en kinderen in Nederland verblijven en het in het belang van de kinderen is.

Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk voor het hoger beroep op echtscheiding, partneralimentatie en huwelijksvermogen en besloot het ouderschapsplan van 22 oktober 2025 aan de beschikking te hechten. De zorgregeling omvat omgang van de kinderen met de man één weekend per twee weken en verdeling van vakanties in onderling overleg. De man zal vanaf oktober 2025 €75 per kind per maand aan kinderalimentatie betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ouderschapsplan en neemt de zorgregeling en kinderalimentatie op in het dictum, terwijl het hoger beroep op echtscheiding en partneralimentatie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.672/01
zaaknummer rechtbank: C/13/754926 / FA RK 24-5212
beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. N. Rastegar te Amsterdam.

1.De procedure in hoger beroep

1.1.
Bij beschikking van 13 maart 2025 heeft de rechtbank Amsterdam:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • vastgesteld dat de man en de vrouw gezamenlijk het gezag met betrekking tot de minderjarigen hebben in ieder geval vanaf 19 maart 2021 en de griffier gelast hiervan een aantekening te maken in het gezagsregister;
  • bepaald dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;
  • het meer of anders verzochte afgewezen.
1.2.
De vrouw heeft op 13 juni 2025 een beroepschrift ingediend bij het hof.
1.3.
De man heeft op 31 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
1.4.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
  • een bericht van de man met bijlagen van 14 oktober 2025;
  • een bericht van de vrouw van 22 oktober 2025 met als bijlage het ondertekende ouderschapsplan.
1.5.
De voorzitter heeft op 21 oktober 2025 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken.
1.6.
De zitting heeft op 23 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: partijen bijgestaan door hun advocaten. Voorts was er voor zowel de vrouw als de man een tolk aanwezig. Ook was mevrouw J. Ibrahim aanwezig, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn [in] 2013 te [plaats B] (Ghana) met elkaar gehuwd.
2.2.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Ghanese nationaliteit.
2.3.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:
  • [minderjarige 1] , geboren [in] 2007 te [plaats C] , Ghana;
  • [minderjarige 2] , geboren [in] 2012 te [plaats C] , Ghana.

3.De omvang van het hoger beroep

3.1.
Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hun verzoeken gewijzigd, in die zin dat zij verzoeken:
  • het ondertekende ouderschapsplan van 22 oktober 2025 aan de beschikking te hechten;
  • de zorgregeling, zoals afgesproken in het ouderschapsplan, in het dictum op te nemen;
  • de kinderalimentatie, zoals afgesproken in het ouderschapsplan, in het dictum op te nemen.

4.De motivering van de beslissing

4.1.
Het hof stelt vast dat de vrouw haar grieven ten aanzien van de echtscheiding, de partneralimentatie en het huwelijksvermogen heeft ingetrokken. Nu deze grieven niet langer worden gehandhaafd, hoeft daarop niet meer te worden beslist. Het hof zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover dat ziet op de echtscheiding, de partneralimentatie en het huwelijksvermogen.
4.2.
Omdat tijdens de mondelinge behandeling bleek dat hierover bij partijen onduidelijkheid bestond, overweegt het hof ten overvloede dat uitgangspunt is dat partijen de echtscheidingsbeschikking binnen zes maanden vanaf het moment dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, moeten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand. [1] Is tegen de echtscheiding zelf hoger beroep ingesteld, dan gaat een echtscheidingsbeschikking echter pas in kracht van gewijsde nadat ook de beschikking in hoger beroep in kracht van gewijsde is gegaan. Dit betekent concreet dat de genoemde termijn van zes maanden pas een aanvang neemt drie maanden na de datum van onderhavige beschikking van het hof. [2]
4.3.
Het hof zal het verzoek van partijen om het door hen ondertekende ouderschapsplan van 22 oktober 2025 aan de beschikking te hechten toewijzen.
4.4.
Daarnaast heeft de vrouw haar verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie en de zorgregeling in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat zij de opgenomen afspraken in het ouderschapsplan in het dictum opgenomen wil hebben. Aangezien deze verzoeken niet voorlagen in eerste aanleg dient door het hof nog ambtshalve onderzocht en beoordeeld te worden of het hof rechtsmacht heeft ten aanzien van deze verzoeken. Nu partijen en de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt het hof rechtsmacht toe. Het hof zal de verzoeken van de vrouw over de kinderalimentatie en de zorgregeling toewijzen, gelet op de overeenstemming tussen partijen en gelet op het gegeven dat deze vaststellingen in het belang van de kinderen zijn.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding, de partneralimentatie en het huwelijksvermogensrecht;
5.2.
bepaalt dat het op 22 oktober 2025 door de ouders ondertekende, en aan deze beschikking gehechte, ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;
5.3.
bekrachtigt de bestreden beschikking en bepaalt in aanvulling op de bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2025 als volgt:
  • de kinderen hebben één weekend per twee weken van vrijdagavond tot en met zondagmiddag omgang met de man;
  • de zomer- en kerstvakanties worden door partijen in onderling overleg verdeeld;
  • de man zal met ingang van oktober 2025 een kinderalimentatie aan de vrouw voldoen van € 75,-- per kind per maand;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M.L. van der Bel en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. L de Goei als griffier en is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Voetnoten

1.Artikel 1:163 lid 3 BW Pro.
2.HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1258.