ECLI:NL:GHAMS:2025:3440

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.353.533/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van alimentatie voor meerderjarige dochter en rechtsverwerking

In deze zaak gaat het om de alimentatie die de vader moet betalen voor zijn 20-jarige dochter, verzoekster. De rechtbank Amsterdam had in een eerdere beschikking op 17 januari 2025 de alimentatie verlaagd naar € 25,- per maand, wat verzoekster niet accepteert. Zij stelt dat de vader te lang heeft gewacht met zijn verzoek tot wijziging van de alimentatie, waardoor er sprake zou zijn van rechtsverwerking. De vader is het eens met de beschikking van de rechtbank en heeft zijn verzoek tot wijziging ingediend na dertien jaar. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van rechtsverwerking, omdat de vader niet wist dat hij een verzoek tot wijziging kon indienen en zijn financiële situatie pas na het instellen van bewind duidelijk werd. Het hof bevestigt dat de vader's draagkracht, rekening houdend met zijn schulden, niet meer dan € 25,- per maand bedraagt. De vader heeft schulden, waaronder achterstallige alimentatie, maar het hof oordeelt dat deze niet verwijtbaar zijn. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.533/01
zaaknummer rechtbank: C/13/749345 / FA RK 24-2506 (CM/SV)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[verzoekster ],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: [verzoekster ] ,
advocaat: mr. B.F.M. Bos te Nijmegen,
en
[X] , h.o.d.n. AmstelVisie Financiële Zorg & Bewind,
gevestigd te Uithoorn
,
hierna: de bewindvoerder
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
hierna: de vader,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de alimentatie die de vader voor zijn meerderjarige dochter [verzoekster ] (20 jaar) moet betalen.
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 17 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de alimentatie op verzoek van de vader verlaagd naar € 25,- per maand. Tot dat moment bedroeg die alimentatie (geïndexeerd) € 213,21 per maand.
[verzoekster ] is het daar niet mee eens en vindt dat de rechtbank het verzoek van de vader had moeten afwijzen. Volgens [verzoekster ] heeft de vader te lang gewacht met het verzoek tot wijziging nadat zijn omstandigheden waren veranderd. De rechtbank heeft daarnaast volgens haar onterecht rekening gehouden met schulden, waaronder de schuld die is ontstaan omdat de vader de kinderalimentatie jarenlang niet (of onvoldoende) heeft betaald. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.
Het hof beslist dat de bestreden beschikking in stand blijft en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[verzoekster ] is op 16 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 4 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast een bericht van de zijde van de vader van 22 september 2025 met bijlagen ontvangen.
2.4
De zitting heeft op 8 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [verzoekster ] ,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
[verzoekster ] en de bewindvoerder hebben ieder via hun advocaat laten weten dat zij niet op de zitting aanwezig wilden zijn.

3.De feiten

3.1
[verzoekster ] is [in] 2005 geboren uit het huwelijk tussen de vader en [verzoekster ] moeder. In de echtscheidingsbeschikking van 10 juli 2008 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat de vader aan de moeder € 150,- per maand moet betalen als kinderalimentatie voor [verzoekster ] .
3.2
Door indexering bedroeg de door de vader te betalen alimentatie in 2024 € 213,21 per maand. Geïndexeerd naar 2025 zou dat € 227,07 per maand zijn. Ingevolge art. 1:395b BW is [verzoekster ] vanaf de dag waarop zij meerderjarig werd (8 september 2023) de rechthebbende op deze alimentatie geworden.
3.3
De vader ontvangt sinds 21 juni 2011 een WIA-uitkering. Deze bedroeg in 2024 € 1.512,11 netto per maand. Sinds 2011 heeft er geen herkeuring plaatsgevonden.
3.4.
De kantonrechter te Amsterdam heeft op 30 maart 2022 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de vader, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden met benoeming van de bewindvoerder als bewindvoerder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging van de beschikking van 10 juli 2008, de alimentatie voor [verzoekster ] met ingang van 11 april 2024 bepaald op € 25,- per maand.
4.2
[verzoekster ] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt [verzoekster ] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid (grief 1)
Standpunten van partijen
5.1
Volgens [verzoekster ] (in haar eerste grief) is de vader niet-ontvankelijk in zijn inleidende verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. Hij heeft het verzoek namelijk pas dertien jaar nadat zijn omstandigheden waren gewijzigd ingediend. Daardoor is sprake van rechtsverwerking.
5.2
De vader stelt dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Hij heeft lange tijd geen verzoek tot wijziging gedaan, omdat hij niet wist dat die mogelijkheid bestond. Ook had hij geen overzicht over zijn financiële positie. Nadat zijn vermogen onder bewind was gesteld, heeft de bewindvoerder eerst alle schulden geïnventariseerd en daarna namens de vader een verzoek tot wijziging gedaan. Voor rechtsverwerking of afstand van recht is alleen maar stilzitten niet genoeg.
Juridisch kader
5.3
Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)
kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.4
Er is sprake van rechtsverwerking als een rechthebbende van een bepaald recht zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het desbetreffende recht. Ook een nalaten kan aanleiding geven voor rechtsverwerking, maar de enkele omstandigheid dat er tijd is verlopen en de rechthebbende gedurende die tijd heeft ‘stilgezeten’ en geen actie heeft ondernomen om zijn recht geldend te maken, kan op zichzelf niet leiden tot rechtsverwerking. ‘Stilzitten’ kan wel een relevante omstandigheid zijn, maar als
enigeomstandigheid (louter stilzitten) is het volgens vaste rechtspraak niet toereikend voor rechtsverwerking. Daarvoor zijn aanvullende bijzondere omstandigheden vereist.
Beoordeling door het hof
5.5
De man ontvangt sinds 2011 een WIA-uitkering, maar heeft pas in 2024 een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie gedaan. Dat is na een lange tijd, maar de wet kent geen vervaltermijn waarbinnen een verzoek tot wijziging van alimentatie moet worden gedaan. In dit geval is er ook geen sprake van rechtsverwerking. De vader heeft weliswaar langdurig stilgezeten, maar dat is onvoldoende voor een beroep op rechtsverwerking. De vader heeft tussen 2011 en 2024 de kinderalimentatie kennelijk niet of nauwelijks betaald en dus niet aan zijn verplichting voldaan. Daaruit kon [verzoekster ] niet afleiden dat hij
nietom wijziging van de kinderalimentatie zou verzoeken. Integendeel, hieruit bleek juist dat de vader de vastgestelde kinderalimentatie niet kon of niet wilde betalen. De vereiste bijkomende omstandigheden voor rechtsverwerking doen zich niet voor. Zo is er geen sprake van een situatie waarin de vader bij [verzoekster ] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet meer om wijziging van de kinderalimentatie zou verzoeken. De vader heeft door zo lang te talmen ook niet de positie van [verzoekster ] onredelijk verzwaard of benadeeld. Het beroep op rechtsverwerking slaagt daarom niet.
5.6
Ten overvloede merkt het hof nog op dat een langdurig tijdsverloop na de gewijzigde omstandigheden wel van belang kan zijn als een procespartij verzoekt om de alimentatie te wijzigen met terugwerkende kracht (over een langere periode in het verleden), maar dan gaat het om de vraag welke ingangsdatum voor die wijziging in aanmerking moet worden genomen. In dit geval heeft de vader echter verzocht om wijziging met ingang van de datum waarop hij het verzoek heeft ingediend en [verzoekster ] heeft niet (afzonderlijk) gegriefd tegen de ingangsdatum van de wijziging die de rechtbank heeft bepaald.
Draagkracht vader (grief 2)
Standpunten van partijen
5.7
[verzoekster ] stelt dat geen rekening moet worden gehouden met de door de vader naar voren gebrachte schulden. Hij heeft meerdere schuldenoverzichten ingediend, één gedateerd op 7 maart 2024 en één gedateerd op 28 november 2024, die van elkaar verschillen en die [verzoekster ] betwist. Ook moet er geen rekening worden gehouden met de opgevoerde schuld aan de gemeente [plaats B] wegens steunfraude en de schuld wegens achterstallige kinderalimentatie.
5.8
Volgens de vader is zijn draagkracht terecht op € 25,- per maand vastgesteld. Bij vaststelling van de draagkracht moet immers rekening worden gehouden met alle schulden die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Zelfs als de fraudeschuld buiten beschouwing wordt gelaten, is de draagkracht op basis van de restschuld hypotheek al niet hoger dan € 25,- per maand.
Beoordeling door het hof
5.9
Namens de vader heeft de bewindvoerder in het verweerschrift in hoger beroep de verschillen tussen de overgelegde schuldenoverzichten toegelicht. Het heeft tijd gekost om een volledig beeld te vormen van de schulden, omdat de bewindvoerder regelmatig het bestaan van een schuld pas ontdekte nadat een schuldeiser een incassohandeling verrichtte. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van het meest recente schuldenoverzicht (productie 13 bij het bericht van de zijde van de vader van 22 september 2025).
5.1
Uit dit laatste schuldenoverzicht blijkt dat de schulden die de vader samen met zijn partner heeft aan de gemeente [plaats B] van in totaal € 26.413,79, zijn aangemerkt als ‘fraudeschuld’. Deze schulden zijn kennelijk ontstaan doordat de vader fraude heeft (mede)gepleegd. Die schulden zijn verwijtbaar: het is een last die de vader met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan. Het hof houdt met die schulden geen rekening.
5.11
Met de overige schulden houdt het hof wel rekening. Op de draagkracht zijn volgens vaste rechtspraak in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed. Ook met schulden wegens achterstallige (kinder)alimentatie kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de draagkracht. [1] Die schuld zou weliswaar niet zijn ontstaan als de vader de alimentatie had betaald, maar dat maakt niet dat de schuld verwijtbaar is ontstaan, zoals [verzoekster ] heeft betoogd. Voor elke schuld geldt immers dat die ontstaat omdat een betalingsverplichting niet is nagekomen. Daarmee is nog geen sprake van een verwijtbare schuld waar bij het bepalen van de alimentatie geen rekening wordt gehouden. De rechtbank heeft de schuld van € 29.470,74 vanwege de achterstallige alimentatie daarom terecht in aanmerking genomen bij het bepalen van de draagkracht. Het hof merkt daarbij op dat zelfs als ook die schuld niet in aanmerking zou zijn genomen, de draagkracht niet hoger dan € 25,- per maand zou zijn. De vader heeft immers ook zeer hoge andere schulden, waaronder de restschuld aan ING Hypotheken en een tweetal schulden bij Hoist Finance. Die schulden bedragen op het meest recente overzicht € 36.748,02 respectievelijk (samen) € 10.853,01.
5.12
[verzoekster ] heeft nog aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid in relatie tot het bijzondere karakter van kinderalimentatie maakt dat geen rekening gehouden dient te worden met de door de man opgevoerde schulden. Daarin volgt het hof haar niet. Ook in geval van kinderalimentatie geldt immers de vaste rechtspraak dat in beginsel met alle schulden rekening moet worden gehouden. Bijzondere omstandigheden waarom dat in de verhouding tussen de vader en [verzoekster ] anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken.
5.13
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot dezelfde conclusie als de rechtbank: de draagkracht van de vader is niet meer dan € 25,- per maand.

6.De beslissing

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. P.F.E Geerlings en mr. J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Voetnoten

1.Zie HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:627, rov. 3.5.