In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter en om gezamenlijk gezag. De vader, die de Ghanese nationaliteit heeft, was het niet eens met de eerdere beschikking van de rechtbank Noord-Holland, die zijn verzoek om een omgangsregeling had afgewezen. De moeder, die de Nederlandse nationaliteit heeft, was het daarentegen eens met de rechtbank en voerde aan dat omgang met de vader in strijd zou zijn met de belangen van de minderjarige. Tijdens de zitting op 3 oktober 2025 werd de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, terwijl de moeder ook door haar advocaat werd vertegenwoordigd. De Raad voor de Kinderbescherming was aanwezig als belanghebbende. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de vader niet in staat was om een stabiele rol in het leven van de minderjarige te vervullen, en de moeder had ernstige zorgen over de veiligheid van haar en de minderjarige in het geval van omgang. Het hof oordeelde dat de belangen van de minderjarige op dit moment niet gediend zijn met een omgangsregeling, gezien de angst van de moeder voor de vader en de veiligheidsmaatregelen die zij had getroffen. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af, omdat er geen vertrouwen was dat de ouders in staat zouden zijn om samen beslissingen te nemen over de opvoeding van de minderjarige. De vader blijft echter de vader van de minderjarige en het hof verwacht dat de moeder hem op een veilige manier op de hoogte zal houden van de ontwikkeling van de minderjarige.