ECLI:NL:GHAMS:2025:3444

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.354.132/01 en 200.354.132/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om omgangsregeling en gezamenlijk gezag tussen vader en minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter en om gezamenlijk gezag. De vader, die de Ghanese nationaliteit heeft, was het niet eens met de eerdere beschikking van de rechtbank Noord-Holland, die zijn verzoek om een omgangsregeling had afgewezen. De moeder, die de Nederlandse nationaliteit heeft, was het daarentegen eens met de rechtbank en voerde aan dat omgang met de vader in strijd zou zijn met de belangen van de minderjarige. Tijdens de zitting op 3 oktober 2025 werd de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, terwijl de moeder ook door haar advocaat werd vertegenwoordigd. De Raad voor de Kinderbescherming was aanwezig als belanghebbende. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de vader niet in staat was om een stabiele rol in het leven van de minderjarige te vervullen, en de moeder had ernstige zorgen over de veiligheid van haar en de minderjarige in het geval van omgang. Het hof oordeelde dat de belangen van de minderjarige op dit moment niet gediend zijn met een omgangsregeling, gezien de angst van de moeder voor de vader en de veiligheidsmaatregelen die zij had getroffen. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af, omdat er geen vertrouwen was dat de ouders in staat zouden zijn om samen beslissingen te nemen over de opvoeding van de minderjarige. De vader blijft echter de vader van de minderjarige en het hof verwacht dat de moeder hem op een veilige manier op de hoogte zal houden van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.354.132/01 en 200.354.132/02
zaaknummer rechtbank: C/15/334743 / FA RK 22.5851
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.A.F. Visser te Wormerveer.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 14 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en hem, afgewezen.
De vader is het daarmee niet eens en wil een weekenddag in de twee weken omgang met [minderjarige] . Daarnaast wil de vader eveneens worden belast met het gezag over [minderjarige] .
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 2 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 27 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Voorts heeft het hof ontvangen een bericht van de zijde van de vader van 20 september 2025, met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 3 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door H. Abdulla, een tolk in de Engelse taal,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [plaats C] .
De ouders hebben acht maanden een affectieve relatie met elkaar gehad, die is geëindigd rond maart 2022. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend.
3.2
De vader heeft de Ghanese nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen en een omgangsregeling vast te stellen van een middag in de twee weken op een zaterdag of zondag van 13:00 tot 17:00 uur, althans een omgangsregeling die het hof juist zal achten, en voorts te bepalen dat de vader eveneens wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader niet ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen en, bij voorgenomen toewijzing, een onderzoek te gelasten door de raad.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Zoals hiervoor vermeld, bezit de vader de Ghanese nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat de moeder en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Partijen hebben daartegen niet gegriefd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
5.2
Aan het hof ligt de vraag voor of een omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader.
Het wettelijk kader
5.3
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft
doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunten
5.4
De vader stelt dat de rechtbank zijn inleidend verzoek ten onrechte heeft afgewezen.
De vader wil graag een rol gaan spelen in het leven van [minderjarige] en haar om de week een paar uurtjes zien om wat leuks met haar te doen. Het is in het belang van [minderjarige] dat er vaste afspraken komen met betrekking tot de omgang en dat daaraan uitvoering wordt gegeven. [naam] , de coach/mentor van de vader, wil dat wel begeleiden en de vriendin van de vader ook. De vader staat sinds 8 april 2025 ingeschreven op een adres in [plaats A] en verblijft sinds 25 februari 2025 rechtmatig in Nederland. De vader moet wel het vertrouwen hebben van de moeder. Zij dient het contact tussen [minderjarige] en de vader te ondersteunen. Wellicht kan professionele begeleiding de vader helpen om met [minderjarige] om te gaan, want hij is niet meegegaan in haar ontwikkeling. De vader weet nu niets over [minderjarige] en wil graag op de hoogte gehouden worden over de ontwikkeling van [minderjarige] , vandaar dat hij ook een verzoek tot gezamenlijk gezag doet. Zonder gezag kan de vader geen (medische) informatie over [minderjarige] opvragen en is hij nergens van op de hoogte. De vader ontkent zich schuldig gemaakt te hebben aan enige vorm van bedreiging. Hij is niet bekend met agressie. Aan een agressietraining zou de vader wel meewerken als dat een voorwaarde is om [minderjarige] te zien. Hij vindt het belangrijk om een volwaardige vaderrol te kunnen vervullen in het leven van [minderjarige] , aldus de vader.
5.5
De moeder voert aan dat de beslissing van de rechtbank op goede gronden berust.
Omgang is in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De vader komt afspraken niet na en stelt het belang van [minderjarige] niet voorop. De vader kan niet voor [minderjarige] zorgen en gebruikt haar enkel om een verblijfsvergunning te krijgen. De moeder en [minderjarige] zijn daarnaast ook bang voor de vader. Hij is agressief en gewelddadig geweest tegen de moeder, ook in het bijzijn van [minderjarige] . [minderjarige] heeft hierdoor veel nachtmerries en last van spanningen gehad. Er is geen bereidheid van de vader om aan zijn agressie te werken. Er blijkt niet uit het dossier dat de moeder de vader tegenwerkt. De moeder heeft na de geboorte van [minderjarige] vaak contact gezocht met de vader. Hij kwam dan niet opdagen of was onder invloed van alcohol en/of drugs. De vader gaf in ieder geval geen aandacht aan [minderjarige] . Nu wordt door hem een heel ander beeld geschetst. De vader heeft ook nooit moeite gedaan om informatie over [minderjarige] te krijgen en nu wil hij gezamenlijk gezag om informatie te verkrijgen. De vader heeft geen stabiel leven zoals hij pretendeert. In het geval dat een omgangsregeling wordt vastgesteld, dient er controle te komen op het alcohol- en drugsgebruik van de vader tijdens omgangsmomenten en dienen er veiligheidsafspraken te worden gemaakt. Alvorens de omgang dan plaats zou vinden, is het wenselijk dat door de raad onderzoek wordt gedaan om de leefsituatie van de vader in kaart te brengen en vast te stellen onder welke voorwaarden de omgang op een goede en veilige manier kan worden bewerkstelligd, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. De moeder is verhuisd naar een geheim adres, staat in nauw contact met de Blijf Groep, heeft een nieuwe baan moeten zoeken, een nieuw telefoonnummer moeten regelen en tot slot camera’s om haar huis moeten laten hangen. Dit zijn aanwijzingen die duiden op stalking en bedreiging door de vader. Allemaal rode vlaggen die duiden op intieme terreur. Op dit moment ervaart de moeder dan ook nog steeds een reëel aandoende angst ten aanzien van de vader. Ten aanzien van het verzoek van de vader tot omgang met [minderjarige] adviseert de raad dit verzoek af te wijzen en hem omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Er is op dit moment geen plek voor de vader in het leven van [minderjarige] en de moeder. Met betrekking tot het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over [minderjarige] adviseert de raad dit verzoek eveneens af te wijzen. De angst van de moeder voor de vader is nog te groot, hoewel zij er al aan gewerkt heeft om [minderjarige] hiermee niet te belasten. [minderjarige] is volledig afhankelijk van de moeder en zij moet zich spanningsvrij kunnen ontwikkelen, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
Omgangsregeling
5.7
Als uitgangspunt geldt dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het is voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Het kan ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het niet (langer) in het belang is van een kind om een poging te doen tot omgang of contactherstel. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Net als de raad acht het hof bij de moeder onvoldoende vermogen aanwezig om omgang tussen [minderjarige] en de vader te kunnen dragen. Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, is voldoende gebleken dat de moeder bang is voor de vader en dat zij geen enkele vorm van contact met hem wenst. De ouders hebben ieder een andere beleving van hetgeen is gebeurd sinds de geboorte van [minderjarige] . Volgens de moeder hebben verschillende incidenten plaatsgevonden waarbij de vader zich agressief heeft gedragen, ook in het bijzijn van [minderjarige] , en heeft zij hiervan drie keer aangifte gedaan. De vader ontkent dit alles. Onduidelijk is gebleven wat precies is voorgevallen tussen de ouders. Wel is voldoende aannemelijk geworden dat de moeder erg bang is voor de vader en ter behandeling van haar angstklachten in het najaar van 2024 een 8-weekse EDMR therapie heeft gevolgd. Daarnaast weegt voor het hof zwaar mee dat naast de door de moeder zelf getroffen maatregelen, zoals de beveiliging van haar persoonsgegevens en huis, ook door externe partijen veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn geacht, zoals de Aware-alarmsysteemknop, bedoeld voor slachtoffers van stalking, bedreiging en/of intieme terreur en slachtoffers die een hoge risicobeoordeling hebben op acute onveiligheid of stalking. Dit is een veiligheids- en beschermingsmaatregel die niet lichtzinnig wordt ingezet.
Vanwege de angst van de moeder en de ingezette veiligheidsmaatregelen lijkt er bij haar geen enkele mogelijkheid te zijn om enige vorm van (minimaal) contact met de vader te kunnen dragen. Het hof acht niet aannemelijk dat de moeder in staat zal zijn [minderjarige] te begeleiden en ondersteunen bij de omgang met de vader. Bovendien is de raad niet genegen onderzoek te doen, zoals door de moeder is verzocht, voor het geval omgang zou moeten plaatsvinden. De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht een raadsonderzoek gezien de omstandigheden niet verstandig te vinden, gelet op de kans op escalatie en het scheppen van verwachtingen. Ook ter zitting is bij het hof het beeld ontstaan dat bij de moeder op dit moment geen draagvermogen bestaat om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te ondersteunen. [minderjarige] is gelet op haar leeftijd nog grotendeels afhankelijk van haar moeder. Het is dan ook in haar belang dat de moeder er voor haar kan zijn. Wanneer de moeder te veel angst ervaart, bestaat het risico dat het de moeder niet lukt om [minderjarige] een stabiele opvoedomgeving te (blijven) bieden. Bovendien zal [minderjarige] onbedoeld belast worden met de angst van de moeder, wanneer zij die angst langdurig en bij herhaling zal ondervinden, zoals het geval lijkt te zijn als een omgangsregeling zou worden vastgesteld. Ook dit komt de ontwikkeling van [minderjarige] niet ten goede.
5.8
Gezien het voorgaande ziet het hof op dit moment geen mogelijkheden voor de vaststelling van een omgangsregeling. Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Het verzoek van de vader betreffende het gezag
5.9
De vader heeft in hoger beroep (opnieuw) verzocht te bepalen dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] worden belast.
De moeder betoogt dat de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien hij zijn eerdere verzoek om gezamenlijk gezag tijdens de zitting bij de rechtbank heeft ingetrokken. Het is niet mogelijk om hoger beroep in te stellen tegen een verzoek dat is ingetrokken, aangezien er geen rechtsbeslissing is om tegen op te komen, aldus de moeder.
5.1
Het hof volgt de moeder niet in haar betoog Weliswaar is het verzoek tot gezamenlijk gezag door de intrekking niet inhoudelijk aan de orde geweest bij de rechtbank, maar het verzoek hangt in dit geval nauw samen met het verzoek tot omgang. Beide verzoeken zien op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de betrokkenheid van de vader bij [minderjarige] , en voor de beoordeling van het gezag spelen dezelfde feiten en omstandigheden een rol als bij de beoordeling van het verzoek tot omgang. Gelet op deze samenhang, oordeelt het hof dat de aard van de zaak zich niet verzet tegen de behandeling van dit verzoek in hoger beroep. De aanvulling van het verzoek van de vader is dan ook toelaatbaar.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over de redenen om geen omgangsregeling vast te stellen, en met name gelet op de (ernstig) verstoorde verhouding tussen de ouders en het ontbreken van iedere communicatie, ziet het hof – net als de raad – geen ruimte voor gezamenlijke gezagsuitoefening over [minderjarige] . Niet te verwachten is dat de ouders op korte of langere termijn in staat zullen zijn om samen gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Afwijzing van het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder belast te worden met het gezag is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Het hof zal dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.
5.11
Tot slot overweegt het hof dat, hoewel de vader geen omgang met [minderjarige] heeft en ook geen gezag over haar, hij wel haar vader blijft. Het hof onderschrijft dan ook het belang van de vader om op de hoogte te blijven van het leven en de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting in hoger beroep toegezegd bereid te zijn om de vader regelmatig te gaan informeren over de gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] , mits dit op een voor de moeder veilige manier kan. Het hof spreekt de verwachting uit dat de moeder die toezegging gestand zal doen en zich hiervoor zal inspannen, wellicht met hulp van de Blijf Groep.
Verzoek voorlopige voorzieningen (200.354.132/02)
5.12
De vader heeft in de kop van zijn beroepschrift vermeldt: ‘tevens verzoekschrift voorlopige voorzieningen’. Hij heeft een verzoek voorlopige voorzieningen in het processtuk zelf noch in het petitum ervan verder uitgewerkt. Maar wat daarvan verder ook zij, het hof geeft heden een eindbeslissing in de hoofdzaak, zodat de vader bij een beslissing op een verzoek voorlopige voorzieningen geen belang meer heeft.
5.13
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak (200.354.132/01)
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het verzoek van de vader om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te worden belast;
wijst af het meer of anders verzochte in hoger beroep.
in het incident (200.354.132/02)
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. P.F.E Geerlings en
mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.