De zaak betreft de omgangsregeling tussen een vader en zijn 12-jarige dochter, waarbij het geschil gaat over de plaats waar de vader de minderjarige moet ophalen en terugbrengen. De rechtbank had bepaald dat de vader dit tot juni 2025 bij de broer van de moeder in plaats C moest doen en daarna bij de moeder zelf. De moeder stelde hoger beroep in omdat zij niet wil dat de vader in de buurt van haar woning komt vanwege een eerdere mishandeling.
De vader heeft de dochter inmiddels ruim een jaar niet gezien, ondanks de omgangsregeling die een weekend per twee weken en een deel van de schoolvakanties omvat. De minderjarige wil graag contact met haar vader en vindt het prima als hij haar bij haar woning ophaalt, maar vermoedt dat haar moeder dat niet wil.
De moeder heeft onderbouwd dat de vader in 2021 is veroordeeld voor mishandeling tijdens een overdracht van de minderjarige en dat zij sindsdien PTSS-klachten en angstklachten heeft. Het hof weegt dit zwaar en oordeelt dat het niet van de moeder kan worden gevergd dat de vader in de nabijheid van haar woning komt. Daarom wordt het verzoek van de moeder toegewezen en blijft de overdracht plaatsvinden bij de broer van de moeder in plaats C.
Het hof benadrukt het belang van het contact tussen vader en dochter en hoopt dat de vader de omgang snel zal hervatten. Het schorsingsverzoek van de moeder wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is beslist.