ECLI:NL:GHAMS:2025:3446

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.354.412/01 en 200.354.412/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling en plaats van overdracht tussen ouders na mishandeling

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Amsterdam diende, gaat het om de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige]. De moeder heeft in hoger beroep beroep aangetekend tegen een eerdere beschikking van de rechtbank Amsterdam, waarin was bepaald dat de vader de minderjarige na juni 2025 bij de moeder zelf zou ophalen. De moeder verzet zich hiertegen, omdat zij niet wil dat de vader in de buurt van haar woning komt, gezien een eerdere veroordeling van de vader voor mishandeling. De rechtbank had eerder bepaald dat de vader de minderjarige tot juni 2025 bij de broer van de moeder in [plaats C] moest ophalen. Het hof heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat de vader de minderjarige ook na juni 2025 bij de broer van de moeder moet ophalen. Dit besluit is genomen in het belang van de minderjarige, die al een jaar geen contact heeft gehad met haar vader. Het hof heeft ook het verzoek van de moeder tot schorsing van de eerdere beschikking afgewezen, omdat de hoofdzaak nu is beslist. De beslissing is genomen met inachtneming van de psychische toestand van de moeder en de veiligheid van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.354.412/01 (hoofdzaak) en 200.354.412/02 (schorsingsverzoek)
zaaknummer rechtbank: C/13/720601 / FA RK 22-4543 (LH/MD)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.H. Schmidt te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
zonder advocaat.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de plek waar de vader [minderjarige] (12 jaar) ophaalt en terugbrengt voor de omgang tussen hem en [minderjarige] . De rechtbank heeft bepaald dat de vader [minderjarige] tot juni 2025 ophaalt en terugbrengt bij de broer van de moeder in [plaats C] en na juni 2025 bij de moeder zelf.
De moeder wil dat de vader [minderjarige] blijft ophalen bij haar broer in [plaats C] . Zij wil vanwege een eerder incident niet dat de vader in de buurt van haar woning komt. De vader wil [minderjarige] niet in [plaats C] ophalen. Hoewel [minderjarige] volgens de omgangsregeling een weekend per twee weken en een deel van de schoolvakanties bij de vader is, heeft [minderjarige] haar vader inmiddels al een jaar niet gezien.
Het hof beslist dat de plek van de overdracht bij de broer van de moeder blijft, zoals de moeder heeft verzocht.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 12 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). De moeder heeft ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking gedaan.
2.2
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 juni 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van moeder van 3 september 2025 met bijlage.
2.3
De voorzitter heeft op 6 oktober 2025 met [minderjarige] gesproken.
2.4
De zitting heeft op 8 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, en
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
2.5
Na de zitting hebben de ouders overleg gevoerd met de raadsvertegenwoordiger. Het hof heeft op 25 november 2025 als terugkoppeling van het overleg een e-mail met bijlagen van de raadsvertegenwoordiger ontvangen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren [in] 2013 te [plaats A] .
3.2
De rechtbank heeft de vader op 24 november 2022 toestemming gegeven (als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) om [minderjarige] te erkennen. De vader heeft [minderjarige] tot nu toe niet erkend. Hij is dus juridisch (nog) geen ouder van [minderjarige] .
3.3
De moeder heeft het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij haar.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, in het kader van een omgangsregeling bepaald dat de vader [minderjarige] eens in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur zich zal hebben
waarbij de vadertot juni 2025
[minderjarige] ophaalt en terugbrengtbij de broer van de moeder in [plaats C] en
na juni 2025 bij de moeder zelf, alsmede een vakantieregeling zoals deze in het verslag van Actief en Advies van augustus 2024 is weergegeven, te weten dat de basisregeling van kracht blijft, danwel dat ouders in overleg de vakanties en feestdagen regelen, waarbij de kerst-, mei- en zomervakantie bij helfte worden verdeeld.
De moeder heeft alleen tegen het hiervoor onderstreepte deel van de beslissing hoger beroep ingesteld. Het overige deel is niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de omgangsregeling na juni 2025 blijft zoals daarvoor zodat de vader ook na juni 2025 [minderjarige] dient op te halen in [plaats C] bij de broer van de moeder, althans in ieder geval niet op het woonadres van de moeder (zaaknummer 200.354.412/01).
De moeder verzoekt in het incident tot schorsing te bepalen dat de werking van de bestreden beschikking op het onderdeel van het door de vader halen en terugbrengen van [minderjarige] na juni 2025 wordt geschorst tot de einduitspraak in hoger beroep (zaaknummer 200.354.412/02).

5.De motivering van de beslissing

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.354.412/01)
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:377a, tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt.
De mening van [minderjarige]
5.2
[minderjarige] heeft verteld dat zij de vader al ruim een jaar niet heeft gezien. Zij wil graag weer door hem worden opgehaald. [minderjarige] zou het prima vinden als de vader haar voor haar woning ophaalt, maar denkt dat haar moeder dat misschien niet zou willen. [minderjarige] vindt het jammer dat ze haar broers en zus – de andere kinderen van de vader – niet meer ziet en niet weet hoe het met hen gaat.
De standpunten op de zitting
5.3
De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] en de vader contact hebben, maar wil niet dat de vader bij haar woning komt. De vader heeft eerder de moeder en een van haar oudere dochters mishandeld. De moeder heeft nog steeds veel last van die gebeurtenis. Het zou grote gevolgen hebben voor de psychische toestand van de moeder en haar oudere dochter als de vader naar haar woning zou komen.
5.4
De vader wil [minderjarige] graag zien, maar heeft geen vertrouwen in de moeder of in het systeem. De vader heeft op de zitting verteld dat hij [minderjarige] alleen bij de moeder voor de deur wil ophalen of bij [minderjarige] oma (de moeder van de moeder).
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft benadrukt dat [minderjarige] moet kunnen voelen, horen en begrijpen dat zij de moeite waard is om contact mee op te nemen. Dat is belangrijk voor haar zelfbeeld en zelfvertrouwen. De relatie tussen de ouders is zo ingewikkeld dat de ouders het beste zo ver mogelijk uit elkaar kunnen blijven. De ouders moeten hun weg terugvinden naar [minderjarige] en dat is iets wat niet met een beslissing van het hof geregeld kan worden. De raadsvertegenwoordiger heeft daarom voorstellen gedaan voor andere plekken waar [minderjarige] opgehaald en weggebracht zou kunnen worden en heeft, na afloop van de mondelinge behandeling, gesprekken met de ouders gevoerd.
Het overleg na de zitting
5.6
Het hof leidt uit het bericht van de raadsvertegenwoordiger af dat de ouders hebben besproken dat [minderjarige] op een andere plek opgehaald zou kunnen worden. Uit de daarbij gevoegde berichten van beide ouders blijkt echter dat zij het over andere voorwaarden niet eens zijn geworden.
5.7
De vader wilde dat spullen die hij voor [minderjarige] kocht niet zonder zijn instemming zouden worden weggegooid, verkocht of aan derden weggegeven. Ook wil de vader de vakantieperiodes afstemmen en wil hij dat [minderjarige] niet zonder zijn toestemming het land verlaat, althans dat hij daarover wordt geïnformeerd en daarover overleg plaatsvindt. De vader wil gezamenlijk gezag en zonder gezamenlijk gezag vervallen wat hem betreft alle afspraken. Ten slotte wil de vader dat het brengen en halen tussen de ouders wordt verdeeld.
5.8
De moeder is niet akkoord gegaan met de voorstellen van de vader. Volgens de moeder wekt de vader de indruk dat als hij niet zijn zin krijgt over spullen die hij voor [minderjarige] koopt, hij opnieuw gewelddadig zal zijn. De moeder mist de garantie dat de vader op vrijdag altijd tijdig [minderjarige] bij turnen zal ophalen. De moeder zal geen rekening houden met het schema van de vader bij het plannen van vakanties en geen toestemming vragen om het land te verlaten. De moeder wijst erop dat het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag door de rechtbank is afgewezen. Over het brengen en halen stelt de moeder dat zij vanwege PTSS-klachten medisch niet in staat is om [minderjarige] te halen en te brengen.
De beoordeling door het hof
5.9
Aangezien de ouders geen afspraken hebben kunnen maken, zal het hof het verzoek van de moeder beoordelen. De moeder heeft met stukken onderbouwd dat de vader is veroordeeld voor een mishandeling die op 16 mei 2021 plaatsvond, toen de vader [minderjarige] bij de moeder thuisbracht. Ook heeft de moeder een verklaring overgelegd van een GGZ-instelling waar zij in behandeling is. Daaruit blijkt dat de moeder naar aanleiding van de mishandeling in 2021 PTSS-klachten en aanhoudende angst voor de vader heeft. Onder die omstandigheden kan niet van de moeder gevergd worden dat de vader voor de omgangsregeling in de nabijheid van haar woning komt. Dat weegt zwaarder dan het bezwaar van de vader tegen de langere afstand die hij moet afleggen om [minderjarige] in [plaats C] op te halen. Het hof zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen en bepalen dat de vader [minderjarige] , ook in de toekomst, bij de broer van de moeder in [plaats C] moet ophalen en terugbrengen.
5.1
Het hof realiseert zich dat de vader [minderjarige] inmiddels al een jaar lang niet meer ophaalt en niet heeft gezien. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de vader haar toch weer ophaalt, al voldoet de regeling niet aan de door de vader gewenste voorwaarden. [minderjarige] wil de vader (en haar broers en zus) graag zien. Zoals de raad heeft toegelicht heeft [minderjarige] het nodig om te voelen dat zij belangrijk genoeg is om moeite voor te doen. Het hof hoopt daarom dat de vader [minderjarige] snel weer op zal halen.
Het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.354.412/02)
5.11
Omdat het hof met deze beslissing uitspraak in de hoofdzaak doet, heeft de moeder geen belang meer bij het schorsingsverzoek. Het hof zal dit verzoek daarom afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak 200.354.412/01 (hoofdzaak):
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij is bepaald dat de vader in het kader van de omgangsregeling na juni 2025 [minderjarige] bij de moeder zelf ophaalt, en in zoverre opnieuw recht doende:
bepaalt dat de vader [minderjarige] ophaalt en terugbrengt bij de broer van de moeder in [plaats C] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak 200.354.412/02 (schorsingsverzoek)
wijst het schorsingsverzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.