ECLI:NL:GHAMS:2025:3658

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.332.640
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de oneerlijkheid van bedingen in een doorlopend kredietovereenkomst

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van Interbank N.V. tegen een vonnis van de kantonrechter, waarin bedingen in een doorlopende kredietovereenkomst zijn vernietigd. De kredietovereenkomst, gesloten door [geïntimeerden] met een rechtsvoorganger van Interbank, bevatte bepalingen die de kredietgever het recht gaven om de kredietvergoeding te wijzigen. De kantonrechter oordeelde dat deze bedingen oneerlijk waren en veroordeelde Interbank tot terugbetaling van de door [geïntimeerden] betaalde kredietvergoeding. Interbank ging in hoger beroep, waarbij het hof de zaak toetste aan de Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het hof concludeerde dat de bedingen niet oneerlijk waren in de zin van de Richtlijn, omdat de kredietvergoeding was gemaximeerd op de wettelijke maxima en de wijzigingsbevoegdheid van Interbank niet leidde tot een aanzienlijke verstoring van het contractueel evenwicht ten nadele van de consument. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van [geïntimeerden] af, waarbij het hen ook veroordeelde in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.640/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10060519 CV EXPL 22-10878
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
INTERBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.J.L. Bergervoet te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden, tevens appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.A.F. Harmsen te Zeist.
Partijen worden hierna Interbank en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerden] hebben een doorlopende kredietovereenkomst gesloten met een rechtsvoorganger van Interbank, uit hoofde waarvan zij tegen betaling van een kredietvergoeding krediet verkregen. De kredietovereenkomst bevat bedingen op grond waarvan Interbank de kredietvergoeding kan wijzigen. De kredietovereenkomst is inmiddels beëindigd.
Interbank komt in hoger beroep van een vonnis van de kantonrechter, waarin de hiervoor bedoelde bedingen zijn vernietigd en zij is veroordeeld tot terugbetaling van de door [geïntimeerden] betaalde kredietvergoeding.
Het hof toetst aan Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), en oordeelt dat de bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn, en dus niet kunnen worden vernietigd.

2.Het geding in hoger beroep

Interbank is bij dagvaarding van 20 juni 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van
28 april 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en Interbank als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie;
- aktes uitlaten jurisprudentie van Interbank en [geïntimeerden]
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 10 januari 2025 aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd laten toelichten door hun advocaten en Interbank ook door mr. C. Spierings advocaat te Amsterdam.
Partijen hebben daarna ieder een akte uitlating vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) genomen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Interbank heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat de vernietiging van het wijzigingsbeding niet noopt tot vernietiging van de gehele kredietovereenkomst en de primaire vordering is afgewezen en alsnog hun primaire vordering zal toewijzen. Zij concluderen in principaal hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, een en ander met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
Interbank heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat, waar nodig rekening houdend met de tegen de feitenvaststelling gerichte grief 1 van Interbank en aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
Interbank is de rechtsopvolgster onder algemene titel van NVF Voorschotbank B.V. Hierna worden Interbank en haar rechtsvoorganger aangeduid als Interbank.
3.2.
Op 20 januari 2009 hebben [geïntimeerden] (als kredietnemer/kredietnemers) een kredietovereenkomst met Interbank (als kredietgever) gesloten. Dit betrof een doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 56.100,00 een ‘kredietvergoeding thans per maand’ van 0,592% en een effectieve rente op jaarbasis van 7,3%. In artikel 1 van deze kredietovereenkomst (hierna: OVK) is het volgende bepaald:
Cliënt is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo. (…)
3.3.
De kredietovereenkomst verwijst naar de ‘Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet’ (hierna: AV), waarin in artikel 3 (met het opschrift ‘Kredietvergoeding’) onder meer het volgende is bepaald:
a.
a) De kredietvergoeding wordt uitgedrukt in de effectieve rente op jaarbasis en omvat alle kosten van het krediet.
b) De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo en kan door Kredietgever, met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima, worden gewijzigd. Kredietgever zal Cliënt van iedere wijziging schriftelijk in kennis stellen.
In artikel 13 AV met het opschrift ‘Opzeggen’ staat:
Zowel Kredietnemer als Kredietgever zijn te allen tijde bevoegd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen. In geval van opzegging zal Kredietnemer geen verdere opnamen kunnen verrichten; overigens blijft het gestelde in de overeenkomst van kracht totdat het verschuldigde geheel zal zijn afgelost.
3.4.
Gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst heeft Interbank de door [geïntimeerden] te betalen kredietvergoeding niet gewijzigd.
3.5.
De kredietovereenkomst is op 1 april 2010 beëindigd door middel van volledige aflossing van het krediet.

4.Beoordeling

4.1.
[geïntimeerden] vorderen primair dat voor recht zal worden verklaard dat de kredietovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans dat deze zal worden vernietigd, met veroordeling van Interbank tot terugbetaling van de gehele door hen betaalde kredietvergoeding, met rente. Subsidiair vorderen [geïntimeerden] dat art 1 OVK en art 3 sub b AV zullen worden vernietigd en dat Interbank zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de door hen betaalde kredietvergoeding, met rente.
4.2.
De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering van [geïntimeerden] toegewezen. De grieven van partijen richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
Uitleg van artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV
4.3.
De verschuldigdheid en de hoogte van de kredietvergoeding zijn geregeld in artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV. Afgezien van het bedrag van de kredietlimiet en de genoemde percentages van de kredietvergoeding en de effectieve rente, betreft artikel 1 OVK een door Interbank eenzijdig opgestelde voorgedrukte tekst, die klaarblijkelijk in meer overeenkomsten wordt opgenomen. Artikel 3 sub b AV is opgenomen in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn verklaard op de door [geïntimeerden] als consumenten afgesloten kredietovereenkomst. Bij uitleg van deze beide bedingen, waarover niet is onderhandeld door partijen en die gericht zijn op een grote groep derden die in de toekomst een kredietovereenkomst met Interbank zullen aangaan, zal worden uitgegaan van een geobjectiveerde variant van de Haviltex-maatstaf, waarbij aan de bewoordingen van de regeling, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de overeenkomst, in beginsel doorslaggevend gewicht toekomt (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148). Niet blijkt dat aan [geïntimeerden] bij het afsluiten van de kredietovereenkomsten bescheiden ter beschikking zijn gesteld met een nadere toelichting die in de uitleg van de bedingen kan worden betrokken.
4.4. ‘
Thans’ in artikel 1 OVK duidt erop dat de genoemde percentages van de maandelijkse kredietvergoeding – op jaarbasis uitgedrukt in de genoemde percentages effectieve rente – geen vaste, maar aan wijziging onderhevige, variabele percentages zijn. Uit de tekst van de overeenkomst volgt dan ook reeds dat de kredietvergoeding aan wijziging onderhevig kan zijn. Dit wordt uitgewerkt in artikel 3 AV. ‘Kredietvergoeding’ en ‘(effectieve) rente’ zien allebei op de volledige kosten van het krediet (artikel 3 sub a AV).
4.5.
Uit de tekst van artikel 3 sub b AV, gelezen in het licht van de gehele tekst van de AV, volgt dat de kredietvergoeding is gemaximeerd op ‘de krachtens de wet geldende maxima’. Ten tijde van het afsluiten van de kredietovereenkomst was de Wck (oud) de enige wettelijke regeling die maxima voorschreef voor kredietvergoedingen. Uit de algemene bewoordingen van artikel 3 sub b AV en het ontbreken van enig voorbehoud in deze bepaling volgt dat de kredietvergoeding altijd werd bepaald met inachtneming van deze maxima, ook bij kredieten met een kredietsom hoger dan € 40.000 waarop de Wck (oud) niet van toepassing was. Interbank heeft zich hiermee dan ook verbonden om de wettelijke regels voor (maximering van) de kredietvergoeding voor consumentenkrediet toe te passen, hoewel deze niet van toepassing zijn op de kredietovereenkomst omdat de kredietsom hoger is dan € 40.000. In de wetsgeschiedenis van de Wck (Kamerstukken II 1986/87, 19 785, nr. 3, p. 88) is opgemerkt dat onder het begrip kredietvergoeding verschillende soorten vergoedingen vallen, waaronder de kosten die met de totstandkoming van de kredietverlening te maken hebben, zoals de kosten van het aantrekken van gelden, kosten die de kredietverlener voor zijn bedrijfsvoering moet maken, kosten van tussenpersonen, incassokosten, en dergelijke, en ook kosten uit hoofde van kredietrisico. Toen [geïntimeerden] de kredietovereenkomst afsloten was het ten hoogste toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage voor consumentenkrediet op jaarbasis gesteld op de wettelijke rente verhoogd met 12 procentpunten (artikel 4 Besluit Kredietvergoeding, versie 1 juli 2006).
4.6.
Uit artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV, gelezen in onderlinge samenhang, volgt dat partijen een variabele kredietvergoeding overeengekomen zijn, die alle kosten van het krediet omvat en die Interbank met inachtneming van de wettelijke regels voor (maximering van) de kredietvergoeding voor consumentenkrediet en met schriftelijke kennisgeving aan de kredietnemer kan wijzigen. Deze uitleg van artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV is niet voor redelijke twijfel vatbaar. Toepassing van de contra proferentem regel (artikel 6:238 lid 2 BW) is dan ook niet aan de orde.
Artikel 1 OVK en artikel 3 sub b A V moeten worden getoetst aan de Richtlijn
4.7.
Niet in geschil is dat [geïntimeerden] consumenten zijn en dat Interbank handelt in de uitoefening van haar beroepsactiviteit als bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn. Niet ter discussie staat dat partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld over de voorgedrukte tekst in artikel 1 OVK en evenmin over artikel 3 sub b AV. Laatstbedoeld beding is geen kernbeding van de kredietovereenkomst. Het moet aan de Richtlijn worden getoetst of het oneerlijk is. Artikel 1 OVK is wel een kernbeding, zoals hierna wordt overwogen.
4.8.
Volgens Interbank kan artikel 1 OVK op grond van artikel 1 lid 2 van de Richtlijn niet aan de Richtlijn worden getoetst, omdat zij in dit beding uitvoering geeft aan dwingendrechtelijke bepalingen met betrekking tot consumentenkrediet. Dit betoog gaat reeds niet op omdat een contractueel beding slechts een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling kan ‘overnemen’ in de zin van artikel 1 lid 2 van de Richtlijn indien dit beding de normatieve inhoud van een op de betrokken overeenkomst van toepassing zijnde dwingende bepaling weergeeft, zodat het beding kan worden geacht concreet dezelfde rechtsregel tot uiting te brengen als die waarnaar in die dwingende bepaling wordt verwezen (zie HvJ EU 6 juli 2023, First Bank, C‑593/22, EU:C:2023:555, punt 25). Dat is hier niet aan de orde.
4.9.1.
Onder verwijzing naar de antwoorden van de Hoge Raad van 19 november 2021 op prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2021:1725 (Airbnb)) betoogt Interbank dat artikel 1 OVK op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn niet kan worden onderworpen aan de oneerlijkheidstoets, omdat partijen over dit beding hebben onderhandeld. Volgens Interbank is een concreet aanbod gedaan met een bepaalde door [geïntimeerden] gewenste kredietlimiet en een daarbij behorende en daarop afgestemde kredietvergoeding, welk aanbod door [geïntimeerden] is geaccepteerd.
4.9.2.
Het hof volgt Interbank hierin niet, reeds omdat aan [geïntimeerden] alleen het eerst overeengekomen percentage aan kredietvergoeding is aangeboden en geaccepteerd. Anders dan de servicekosten waarop de door de Hoge Raad beantwoorde prejudiciële vraag zag, is de kredietvergoeding géén vast bedrag en evenmin een vast percentage omdat Interbank de kredietvergoeding eenzijdig kan wijzigen. Daarom kan niet, naar analogie van de hiervoor genoemde zaak waarin de prejudiciële vragen zijn beantwoord, worden aangenomen dat [geïntimeerden] en Interbank worden geacht te hebben onderhandeld over de kredietvergoeding.
4.10.
Het hof onderschrijft het standpunt van Interbank dat artikel 1 OVK betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de kredietovereenkomsten: hierin is bepaald dat Interbank krediet verstrekt tot aan de in de kredietovereenkomsten genoemde limieten en dat [geïntimeerden] als tegenprestatie – zolang het geleende niet (volledig) is terugbetaald – de genoemde percentages aan kredietvergoeding/effectieve rente verschuldigd is; dat is de door Interbank bedongen prijs voor de kredietverstrekking. Anders dan Interbank stelt, legt artikel 1 OVK niet nauwkeurig vast wat de hoogte van de kredietvergoeding is omdat alleen het eerste percentage is vastgelegd en uit het woord ‘thans’ volgt dat dit percentage aan wijziging onderhevig kan zijn. Dit beding is niet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het hof licht dat als volgt toe.
4.11.
De in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn gestelde eis van een duidelijke en begrijpelijke formulering van het beding betreft het in artikel 5 van de Richtlijn neergelegde transparantievereiste. Dit houdt in dat bedingen ‘duidelijk en begrijpelijk’ moeten zijn geformuleerd en dat de consument een echte kans moet krijgen om kennis te nemen van de contractuele bedingen voordat de overeenkomst wordt gesloten. Het transparantievereiste is van belang in de periode voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, omdat voor de consument van wezenlijk belang is dat hij kennis kan nemen van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van de sluiting van de overeenkomst, zodat hij op basis daarvan kan beslissen of hij de overeenkomst wenst aan te gaan. Dit vereiste moet − ook bij toepassing daarvan in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn − ruim worden uitgelegd, aangezien de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie beschikt. Het beding moet zodanig transparant zijn gespecificeerd dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (de gemiddelde consument), op grond van duidelijke en begrijpelijke criteria, de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien kan voorzien. Deze economische gevolgen moeten met aandacht voor de wisselwerking met andere bedingen worden weergegeven (zie. HvJ EU 20 september 2017, ECLI:EU:C:2017:703, punten 45-47, HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, punt 50).
4.12.
Het als kernbeding aangemerkte artikel 1 OVK en het niet als zodanig aangemerkte artikel 3 sub b AV kunnen niet inhoudelijk van elkaar worden gescheiden. Anders dan Interbank betoogt, lenen deze bedingen zich dus niet voor afzonderlijke toetsing aan de Richtlijn (verg. Hoge Raad 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780). Artikel 1 OVK bevat immers een mogelijk aan wijziging onderhevig percentage en kan niet los worden gelezen van artikel 3 sub b AV waarin de bevoegdheid van Interbank tot het wijzigen van dat percentage is uitgewerkt. Beide artikelen dienen een gezamenlijk doel, namelijk het vaststellen van de variabele kredietvergoeding.
4.13.
Interbank heeft geen inzicht gegeven in de samenstelling van de kredietvergoeding en het mechanisme voor wijziging van de kredietvergoeding, waaronder de reden(en) die voor Interbank aanleiding kunnen geven voor wijziging daarvan. Gezien deze onduidelijkheden is de gemiddelde consument niet in staat om aan de hand van artikel 1 OVK, gelezen in samenhang met artikel 3 sub b AV, de concrete werking van artikel 1 OVK te begrijpen, laat staan dat hij de economische gevolgen ervan voor zijn financiële verplichtingen tot terugbetaling van het krediet en betaling van de kredietvergoeding voldoende kan beoordelen. Interbank had ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomsten meer informatie kunnen en moeten geven over het mechanisme ter bepaling van de variabele kredietvergoeding, waardoor de kredietnemers (beter) in staat zouden zijn geweest de economische gevolgen te voorzien van de variabele kredietvergoeding. Interbank moet zoveel duidelijkheid verschaffen als mogelijk is, ook al zal de formulering van de bedingen vanwege de lange looptijd van de kredietovereenkomsten en de verschillende omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor wijziging van de kredietvergoeding noodzakelijkerwijs niet anders dan globaal kunnen zijn. Dat geldt ook als Interbank destijds voldeed aan de voor haar geldende gedragsregels en dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de totale kosten van een krediet met een variabele rente of een variabele kredietvergoeding altijd tot op zekere hoogte onzeker zijn. Het ontbreken van duidelijke, aan de consument kenbaar gemaakte criteria voor bepaling van de variabele kredietvergoeding wordt niet gerechtvaardigd door het doel en de strekking van doorlopend krediet, samengevat het bieden van een flexibele toegang tot krediet, en evenmin door de, gedurende de potentieel (zeer) lange looptijd van de kredietovereenkomsten, variabele rentekoersen en kosten van de (kortlopende) gelden die Interbank aantrekt voor de financiering van het krediet.
4.14.
Het hof concludeert dan ook dat artikel 1 OVK niet voldoet aan het transparantiebeginsel van artikel 5 van de Richtlijn. Dat geldt ook voor artikel 3 sub b AV. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat dit beginsel niet zo ver gaat dat een gemiddelde consument bij het aangaan van de kredietovereenkomst precies moet kunnen uitrekenen welk bedrag aan kredietvergoeding over de gehele looptijd zal moeten worden betaald. Nu het gaat om de door de gemiddelde consument bij het afsluiten van het krediet te maken raming van de economische gevolgen van de kredietovereenkomst, gaat het hof voorbij aan de tijdens deze procedure gegeven nadere uitleg van Interbank over de componenten waaruit de kredietvergoeding is opgebouwd en haar toelichting op de gedurende de looptijd van de kredietovereenkomsten doorgevoerde wijzigingen.
4.15.
Omdat artikel 1 OVK niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn, moet het oneerlijke karakter van dit beding aan de Richtlijn worden getoetst.
Geen oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn
4.16.
Een beding dat oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn moet buiten toepassing worden gelaten, tenzij de consument zich hiertegen verzet. (zie HvJ EU 4 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:350). Bij de beoordeling van het oneerlijk karakter van een beding gaat het er om of dat beding in strijd met de goede trouw, gedurende de uitvoering van die overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk kan verstoren. Daarbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst of een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de verkoper op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst (zie HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703(Andriciuc), punt 54). Bij de beoordeling moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling zouden hebben getroffen (zie HvJ EU 14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:164, punt 68; HvJ EU 26 januari 2017, ECLI:EU:C:2017:60; HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68). Voorts moet bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft (zie HvJ EU 21 april 2016, C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283, (Radlinger/Finway), punt 95).
4.17.
Het komt erop aan of artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV gelet op de omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomsten en uitgaande van de datum van die sluiting, gedurende de uitvoering van die overeenkomsten het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen
kunnenverstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zouden deze bedingen in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument (verg. HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, punt 60).
4.18.1.
De Richtlijn kent een Bijlage met een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt (artikel 3 lid 3 Richtlijn). Punt 1j) noemt het beding dat tot doel of gevolg heeft “de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. Volgens punt 2b) van de Bijlage staat punt 1j), onder meer, “niet in de weg aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle andere op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij(en) en deze vrij is (zijn) onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen.”
4.19.2
Omdat artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV de redenen van wijziging van de kredietvergoeding niet specificeren, kan geen beroep worden gedaan op de uitzondering van punt 2b) van de Bijlage. Artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV zijn daarmee bedingen zoals bedoeld in punt 1j) van de indicatieve lijst bij de Richtlijn van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Dat een beding voorkomt op deze indicatieve lijst, leidt echter niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat een beding een oneerlijk karakter heeft. Wel is dat een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Met betrekking tot een dergelijk beding dient te worden nagegaan of het in de context die aan de orde is, een aanzienlijke en ongerechtvaardigde verstoring oplevert van het evenwicht in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn. Het oordeel dat dit het geval is, behoeft een specifieke motivering waarin wordt ingegaan op de relevante omstandigheden van het geval.
4.19.
Voorts is een gebrek aan transparantie, zoals hiervoor is vastgesteld, een omstandigheid die moet meewegen bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. Het enkele gebrek aan transparantie kan leiden tot het oordeel dat het beding oneerlijk is. Een niet-transparant beding is echter niet steeds noodzakelijkerwijs oneerlijk. Bij wijzigingsbedingen staat tegenover het rechtmatige belang van de wederpartij van de consument om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn. Daarom is zowel bij de beoordeling van de transparantie (zie hiervoor) als bij beoordeling van de oneerlijkheid onder meer van bijzonder belang of het beding de redenen voor en de wijze van wijziging specificeert.
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van een specificatie van de redenen voor en de wijze van wijziging van de kredietvergoeding door Interbank een belangrijk element is in de oneerlijkheidstoets, maar niet reeds op zichzelf leidt tot de conclusie dat artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV oneerlijke bedingen zijn in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn. Het hof concludeert dat deze met elkaar samenhangende bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn. Het hof licht dat als volgt toe.
4.21.
Deze bedingen komen voor in een kredietovereenkomst. Zoals toegelaten en te doen gebruikelijk bij professionele kredietgevers, heeft Interbank een variabele kredietvergoeding bedongen als tegenprestatie voor het verstrekken van het krediet, die Interbank bepaalt met inachtneming van de wettelijke regels voor (maximering van) de kredietvergoeding voor consumentenkrediet en met schriftelijke kennisgeving aan de kredietnemer. Hoewel een specificatie van de reden(en) voor en de wijze van wijziging van de kredietvergoeding door Interbank ontbreekt, is wel duidelijk dat de kredietvergoeding alle kosten van het krediet omvat en nooit meer kan bedragen dan de wettelijke maxima voor consumentenkrediet. Het kennelijke doel van de door Interbank bedongen mogelijkheid om de kredietvergoeding te wijzigen is om de vergoeding voor haar kredietverlening na verloop van tijd te kunnen aanpassen aan zich gedurende de potentieel (zeer) lange looptijd voordoende wijzigingen van omstandigheden die van invloed (kunnen) zijn op de totale kosten van het krediet.
4.22.
Zonder regeling op dit punt, zou de kredietvergoeding gedurende de volledige looptijd van het doorlopend krediet het initieel door [geïntimeerden] overeengekomen percentage hebben bedragen. Interbank zou op grond van de wettelijke regels (van aanvullend recht) geen bevoegdheid hebben om de kredietvergoeding te wijzigen, behoudens onder uitzonderlijke dan wel onvoorziene omstandigheden (artikel 6:248 lid 1 en lid 2 en artikel 6:258 BW). [geïntimeerden] worden door de eenzijdige, ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheid van Interbank dan ook in een juridisch minder gunstige positie geplaatst.
4.23.1.
Bij beantwoording van de vraag of artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV oneerlijke bedingen zijn, moet ook rekening worden gehouden met het cumulatieve effect van alle bedingen van de overeenkomst. Daarvoor is het volgende relevant.
Gedurende de looptijd van het door Interbank verstrekte doorlopend krediet konden [geïntimeerden] het krediet flexibel benutten tot het overeengekomen maximum, aangezien zij het krediet naar eigen inzicht (weer) konden opnemen en zonder extra kosten of een boete konden aflossen. Het krediet moest zijn afgelost bij het bereiken van de leeftijd van 68 jaar door de (eerste) kredietnemer. Aflossing was verplicht vanaf het bereiken van de leeftijd van 60 jaar door de (eerste) kredietnemer. [geïntimeerden] en Interbank konden te allen tijde de kredietovereenkomst schriftelijk opzeggen. Na opzegging konden [geïntimeerden] geen verdere opnamen verrichten en bleef overigens het gestelde in de kredietovereenkomst van kracht totdat het verschuldigde geheel was afgelost.
De kredietvergoeding zag op alle kosten van het krediet. Interbank kon deze vergoeding wijzigen en moest een wijziging schriftelijk bekendmaken. Een verhoging van de kredietvergoeding zal onmiskenbaar nadelig uitpakken voor de consument, vanwege een verhoging van het totale kredietbedrag en een verlenging van de tijd die nodig is voor terugbetaling van het krediet en de verschuldigde kredietvergoeding. Een verlaging van de kredietvergoeding zal gunstig uitpakken voor de consument, vanwege de verlaging van het totale kredietbedrag en de verkorting van de voor terugbetaling benodigde tijd.
4.23.2.
De hiervoor aangeduide effecten van wijziging van de kredietvergoeding, die zowel
positief als negatief kunnen uitvallen voor de consument, zijn inherent aan een variabele kredietvergoeding. Net als de huidige in Boek 7 BW neergelegde wettelijke regeling, ging de destijds geldende wettelijke regeling van het consumentenkrediet in de Wck (oud) in beginsel uit van de geldigheid van een beding waarin de kredietgever en de consument een variabele rente (kredietvergoeding) afspreken. Bij invoering van de ten tijde van het afsluiten van de kredietovereenkomsten geldende Wck (oud) heeft de wetgever de inherente effecten van een variabele kredietvergoeding, met inbegrip van de verzwaring van de lasten voor de consument bij verhoging, onder ogen gezien en aanvaard. Teneinde tegen te gaan dat de consument te grote risico’s aangaat, die de kredietgever aanvaardt, zoals in artikel 35 lid 1 Wck (oud) is verwoord, heeft de wetgever – voor kredieten met een kredietsom tot € 40.000 – dwingendrechtelijk een maximale kredietvergoeding bepaald in het Besluit Kredietvergoeding. Interbank heeft haar bevoegdheid om de kredietvergoeding vast te stellen hierdoor begrensd in artikel 3 sub b AV (zie rov. 4.5). Bij het vaststellen van het maximum van de kredietvergoeding heeft de wetgever het rechtmatige belang van Interbank als kredietverlener om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden gedurende de (potentieel zeer lange) looptijd van de kredieten afgewogen tegen het even rechtmatige belang van bescherming van de consument tegen het aanvaarden van te grote risico’s. Nu uit de bedingen volgt dat Interbank bij vaststelling van de kredietvergoeding de wettelijke regels voor (maximering van) de kredietvergoeding voor consumentenkrediet zal toepassen en (daarmee) het wettelijk maximum niet zal overschrijden, kunnen artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV ondanks hetgeen hiervoor is overwogen (zie rov. 4.18-4.20), niet leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [geïntimeerden]
4.23.3.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het voor [geïntimeerden] nadelige effect van de in artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV vervatte ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheid van Interbank in voldoende mate wordt gecompenseerd door de aan [geïntimeerden] toegekende bevoegdheid om op ieder door hen gewenst moment zonder kosten of een boete het krediet gedeeltelijk of geheel af te lossen. Deze mogelijkheid kon ook daadwerkelijk worden benut. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.23.4.
De kredietovereenkomst stelt geen beperkingen of voorwaarden aan gedeeltelijke of volledige aflossing van het krediet door [geïntimeerden] Zij konden het krediet op ieder moment volledig aflossen, zonder dat zij daarvoor extra kosten of een boete verschuldigd waren. De aard van het product staat niet in de weg aan verandering van aanbieder in het geval herfinanciering nodig is voor volledige aflossing van het krediet. Volgens de onweersproken stellingen van Interbank is de mogelijk bij aflossing benodigde herfinanciering van een doorlopend krediet relatief laagdrempelig omdat geen notarieel vastgelegde zekerheidsrechten zijn vereist, is de markt voor financiële producten zoals doorlopend krediet mede vanwege de strikte regulering zeer transparant en kent deze markt veel concurrentie van meerdere aanbieders die elkaar ook op prijs beconcurreren. Daarmee kan de markt voor doorlopend krediet voldoende concurrerend worden geacht in de zin dat er geen feitelijke beletsels zijn om over te stappen vanwege een slechts gering aantal aanbieders van gelijksoortige producten.
4.23.5.
Interbank moest [geïntimeerden] voorts schriftelijk in kennis te stellen van de wijziging van de kredietvergoeding (artikel 3 sub b AV). De ten tijde van het afsluiten van de kredietovereenkomst geldende Wck die Interbank toepaste op de kredietovereenkomst bepaalde in artikel 39 lid 5 dat van elke wijziging van de kredietvergoeding op het eerstvolgende rekeningafschrift mededeling moest worden gedaan. Dit was ook bepaald in artikel 6 lid 2 van de destijds geldende en voor deze zaak relevante Richtlijn Consumentenkrediet dat is geïmplementeerd in het hiervoor bedoelde Wck-voorschrift. [geïntimeerden] betogen dan ook tevergeefs dat de mogelijkheid van aflossing niet daadwerkelijk kon worden benut vanwege het ontbreken van een voorafgaande kennisgeving van wijziging van de kredietvergoeding. De door [geïntimeerden] aangehaalde verplichting van een voorafgaande mededeling van een voorgenomen wijziging om de consument redelijke bedenktijd te geven, is in 2023 vastgelegd in de Richtlijn Consumentenkrediet. Deze verplichting is echter niet relevant voor de door hen in 2008 afgesloten kredietovereenkomst, die bovendien voor inwerkingtreding van deze richtlijn is beëindigd.
4.24.
Dit een en ander brengt met zich dat Interbank redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat indien daarover afzonderlijk en op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld, [geïntimeerden] artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV zouden aanvaarden. De slotsom luidt dat deze bedingen niet leiden tot een, in strijd met de goede trouw, aanzienlijke verstoring van het contractueel evenwicht ten nadele van de consument. Artikel 1 OVK en artikel 3 sub b AV zijn geen oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn en behoeven niet buiten toepassing te worden gelaten.
4.25.
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn niet toewijsbaar. Bij afzonderlijke bespreking van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep bestaat geen belang.
4.26.
Het hof ziet (toch) geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Het hof acht het voor de te nemen beslissingen relevante Unierecht voldoende duidelijk.
4.27.
[geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het hof stelt de kosten als volgt vast:
griffierecht eerste aanleg
nihil
salaris eerste aanleg
374,00
griffierecht hoger beroep
783,00
salaris hoger beroep
2.428,00
Totaal
3.585,00

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van Interbank vastgesteld € 3.585,00 en € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025
.