Op 10 mei 2024 pleegde de verdachte te Amsterdam twee feiten: het wederrechtelijk betreden van een besloten erf zonder zich op vordering te verwijderen, en het eenvoudig beledigen van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. De politierechter in Amsterdam veroordeelde verdachte, maar het hof vernietigde dit vonnis in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de bewezenverklaring van beide feiten stand hield en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens wees het hof de vordering van de officier van justitie af tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
De wettelijke grondslagen voor de veroordeling zijn artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is gewezen door rechter J.W.H.G. Loyson, in aanwezigheid van griffier S. den Hartog.