Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:503

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
23-002312-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte mishandeling ambtenaar tijdens uitoefening functie

Op 12 juli 2021 werd verdachte aangehouden door een ambtenaar die hem wilde aanhouden vanwege spugen. De ambtenaar verklaarde dat verdachte haar meerdere keren had geslagen en geschopt. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep het tenlastegelegde niet bewezen verklaard.

Het hof baseerde zich op camerabeelden en getuigenverklaringen waaruit bleek dat de ambtenaar verdachte met kracht het gebouw in trok en een stevige houdgreep toepaste, waardoor verdachte geen adem kreeg. Verdachte gaf twee klappen terug, mogelijk als niet disproportionele afweer om zich te bevrijden.

De rechtbank achtte het niet bewezen dat verdachte wederrechtelijk handelde, mede omdat de aanleiding voor de aanhouding niet met zekerheid vaststaat en het gedrag van de ambtenaar krachtig en overrompelend was. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de mishandeling niet bewezen is.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende bewijs en proportionele zelfverdediging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002312-22
datum uitspraak: 10 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer
13-071981-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juli 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, een ambtenaar, [benadeelde], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door:
- eenmaal of meermalen (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd, althans lichaam, van genoemde [benadeelde] te slaan en/of te stompen
- eenmaal of meermalen op/tegen/in het been, althans lichaam, van genoemde [benadeelde] te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft om meerdere redenen vrijspraak bepleit.

Oordeel van het hof

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat het tenlastegelegde schoppen niet bewezen kan worden en spreek de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het slaan en/of stompen overweegt het hof als volgt.
[benadeelde] heeft op 12 juli 2021 aangifte gedaan van mishandeling. Blijkens die aangifte zou zij tijdens haar werk als gastvrouw/beveiligster voor de gemeente Amsterdam onder meer geslagen zijn door de verdachte, nadat zij de verdachte vanwege spugen wilde aanhouden voor belediging van een ambtenaar in functie. Daartoe pakte ze de verdachte vast en trok ze hem mee. Volgens [benadeelde] heeft ze toen meerdere klappen van de verdachte gehad.
Naar het oordeel van het hof is ook het slaan dan wel stompen niet wettig en overtuigend bewezen. Zoals hiervoor vermeld heeft [benadeelde] bij de politie, maar ook als getuige tijdens haar verhoor bij de raadsheer-commissaris, verklaard dat de aanleiding voor het aanhouden en vastpakken van de verdachte het spugen door de verdachte was. Dat de verdachte de aangeefster gespuugd heeft vindt echter geen bevestiging in het dossier. Het hof is van oordeel dat daarmee niet in voldoende mate kan worden vastgesteld wat de reden van aanhouding is geweest.
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de camerabeelden van het voorval, staat wel vast dat de aangeefster de verdachte over enkele meters met kracht het gebouw in heeft voortgeduwd en meegetrokken, waarbij de verdachte zich op enig moment - enigszins uit zijn evenwicht - met een slaande beweging heeft afgeweerd in de richting van het hoofd van de aangeefster, waarop de aangeefster vergeefs heeft geprobeerd een nekklem aan te leggen, hem aan zijn haren heeft vastgepakt, en vervolgens met een heupworp naar de grond heeft gebracht, waarna ze wel een nekklem heeft aangelegd en de verdachte gedurende enige tijd in een stevige houdgreep heeft genomen. De aangeefster lag met haar lichaam op de ribben van de verdachte en hield de verdachte, ook na door omstanders (waaronder een collega) aangemaand te zijn hem los te laten, op die wijze onder controle. Ook staat vast dat de verdachte hierdoor geen adem meer kreeg en zich probeerde los te maken van de aangeefster. De verdachte heeft tijdens die worsteling zijn lichaam bewogen en de aangeefster tot twee keer toe een klap gegeven. Op basis van de beelden en de getuigenverklaring is overigens niet vast te stellen met hoeveel kracht die klappen zijn gegeven.
De verdachte heeft tijdens de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat hij zich wilde bevrijden uit de houdgreep omdat hij geen adem meer kreeg. Het is volgens hem mogelijk dat hij de aangeefster daarbij een “tikje” heeft gegeven.
Het meest verstrekkende verweer van de verdediging strekt tot integrale vrijspraak, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld. Het hof volgt de verdediging hierin. Zoals hiervoor overwogen is niet komen vast te staan waarom de aangeefster de verdachte wilde aanhouden en hem vervolgens op de hierboven beschreven wijze fysiek fors heeft aangepakt. Alhoewel het gedrag van de verdachte vóór deze schermutseling (hij had zich in elk geval eerder jegens aangeefster kwetsend uitgelaten) getuigt van een gebrek aan respect voor (de functie van) de aangeefster, blijft onduidelijk wat de reden voor de aangeefster was om te handelen zoals zij heeft gedaan en of daartoe grond bestond. Het komt het hof voorts aannemelijk voor dat de handelingen die de verdachte vervolgens heeft verricht jegens de aangeefster zijn aan te merken als een niet disproportionele afweer tegen het krachtige en overrompelende optreden van de aangeefster en als een reactie om zich te bevrijden uit een positie waarin hij geen adem kreeg.
Daarmee is het hof van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de klappen die de verdachte de aangeefster heeft gegeven wederrechtelijk zijn geweest. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken. Het overigens door de verdediging aangevoerde behoeft hiermee geen bespreking meer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
10 februari 2025.
Mrs. N.R.A. Meerbeek en M.J.A. Duker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.