De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedreiging met een mes aan een minderjarig meisje in een supermarkt. Hij toonde een mes en zei 'ik ga je snijden', waardoor het slachtoffer angst kreeg.
In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring en oordeelde dat de verklaringen van de aangeefster en haar zusje betrouwbaar zijn. De verdediging voerde aan dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, gebaseerd op een psychiatrisch rapport uit een andere strafzaak.
Het hof stelde vast dat de verdachte wel degelijk inzicht had in zijn handelen en dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Gezien de stoornissen en de lopende onherroepelijke ISD-maatregel achtte het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
Daarom besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen, ondanks de ernst van het feit en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Het hoger beroep werd deels niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis werd op strafoplegging vernietigd en opnieuw bepaald.