De moeder kwam in hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat haar vordering tot nakoming van de omgangsregeling door de vader had afgewezen. De omgangsregeling was eerder vastgesteld in een beschikking van 16 februari 2024 en bepaalde onder meer omgangsmomenten en kinderalimentatie.
De vader had in eerste aanleg en in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd en een verzoek ingediend tot wijziging van de omgangsregeling en verlaging van de kinderalimentatie. Hij stelde onder meer dat hij op woensdagmiddag niet voor de kinderen kon zorgen vanwege zijn werkzaamheden en financiële situatie.
Het hof overwoog dat de omgangsregeling dient te worden nagekomen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet-nakoming rechtvaardigen. De vader had onvoldoende onderbouwd dat nakoming op woensdag een noodtoestand veroorzaakt en dat de kinderen zich tegen omgang verzetten. Ook was zijn financiële nood onvoldoende aangetoond om de kinderalimentatie te verlagen.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover de vordering van de moeder tot nakoming van de omgangsregeling was afgewezen en veroordeelde de vader tot nakoming van de omgangsregeling zonder dwangsom, gelet op het belang van de kinderen en de gespannen communicatie tussen partijen. De overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd en de proceskosten werden gecompenseerd.