Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:782

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
25 maart 2025
Zaaknummer
23-000032-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in hoger beroep strafzaak

In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2022. Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft de advocaat-generaal aangegeven het hoger beroep niet te willen handhaven, waarmee de eerder opgegeven bezwaren zijn ingetrokken.

Het gerechtshof Amsterdam heeft vervolgens overwogen dat, nu het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij voortzetting van het hoger beroep en er geen rechtens te respecteren belang is voor nader onderzoek, het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 4 maart 2025. De uitspraak betekent dat het hoger beroep van het openbaar ministerie wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, waardoor het vonnis van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000032-23
datum uitspraak: 4 maart 2025
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-860106-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1962,
adres: [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 en 20 maart 2024 en 4 maart 2025.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat het openbaar ministerie het hoger beroep niet wil handhaven, moet zij geacht worden de eerder tegen het vonnis opgegeven bezwaren in te trekken, zodat zij, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. S.M.M. Bordenga en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 maart 2025.
mr. S.M.M. Bordenga en mr. C. Fetter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.