Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam van 6 december 2022. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld, en het hof bevestigt dit vonnis, met een aanvulling op de strafmotivering. Tijdens de terechtzitting op 14 februari 2025 heeft de verdediging een standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij, dat het hof bespreekt.
De verdediging verzocht om geen straf of een geheel voorwaardelijke straf op te leggen vanwege persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof constateert dat de redelijke termijn met 2,5 maand is overschreden, maar gelet op de aard en hoogte van de straf volstaat een enkele vaststelling hiervan. De persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding tot matiging van de straf.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair verzocht deze af te wijzen wegens het ontbreken van vastgestelde rechtstreekse schade. Subsidiair werd verzocht het toe te wijzen schadebedrag te matigen wegens het niet naleven van de schadebeperkingsplicht. Het hof oordeelt dat uit het dossier en het onderzoek blijkt dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen en dat de benadeelde partij voldoende navraag heeft gedaan, waarmee aan de schadebeperkingsplicht is voldaan.
Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter met inachtneming van deze overwegingen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 28 februari 2025.