ECLI:NL:GHAMS:2025:888

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
000708-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArtikel 6 Besluit tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot vergoeding immateriële en materiële schade en reiskosten na strafzaak zonder strafoplegging

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 530 en Pro 533 Sv tot vergoeding van immateriële en materiële schade, reiskosten, tijdverzuim en kosten rechtsbijstand naar aanleiding van een strafzaak die zonder strafoplegging werd beëindigd.

Het hof beoordeelde het verzoek en stelde vast dat verzoeker geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt die een verdubbeling van de forfaitaire immateriële schadevergoeding rechtvaardigen. Wel werden gronden van billijkheid aangenomen voor een gedeeltelijke vergoeding van immateriële schade, materiële schade door loonderving, reiskosten en kosten rechtsbijstand. Verzoek tot vergoeding van tijdverzuim werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De totale vergoeding werd vastgesteld op € 1.403,72, bestaande uit € 688,48 op grond van artikel 533 Sv Pro en € 715,24 op grond van artikel 530 Sv Pro. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 4 februari 2025.

Uitkomst: Het hof kent verzoeker een totale vergoeding toe van € 1.403,72 voor immateriële en materiële schade, reiskosten en kosten rechtsbijstand na beëindiging van de strafzaak zonder strafoplegging.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000708-24 (530 Sv) en 000709-24 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-004515-19
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G.A. Jansen-de Wolf,
Herengracht 124-128, 1015 BT Amsterdam.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 27 september 2024 ingekomen.
Op 9 oktober 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 14 januari 2025 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.040,00;
materiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 204,75;
reiskosten gemaakt ten behoeve van het onderzoek en het bijwonen van de behandeling van de strafzaak ten bedrage van € 70,24 ;
schade ten gevolge van tijdverzuim door de behandeling ter terechtzitting ten bedrage van € 78,75;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 2 juli 2024 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 533 Sv Pro
Ad a
Verzocht is om vergoeding van € 260,00 per dag dat verzoeker gedetineerd heeft gezeten op een politiebureau. In het verzoek en ter terechtzitting in raadkamer is bepleit dat -vanwege een aantal bijzondere omstandigheden -verdubbeling van de forfaitaire bedragen die in dit kader standaard worden gehanteerd in deze zaak billijk is. Deze bijzondere omstandigheden zien – zakelijk weergegeven- op het volgende. Verzoeker is
first offender, kwam uit een beschermd gezin en was net volwassen geworden. De verdenking betrof daarnaast een zeer ernstig feit, namelijk vrouwenhandel/gedwongen ontucht, en dergelijke feiten zijn zeker in de cultuur van verzoeker onacceptabel en onvergeeflijk. Verzoeker heeft de zes jaren die het strafproces duurde in schaamte geleefd. De vervolging heeft verzoeker voorts belemmerd op zakelijke vlak.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een forfaitaire vergoeding en het verzoek voor het overige dient te worden afgewezen.
Het hof gaat uit van de volgend data:
- inverzekeringstelling: 13 maart 2018 – 16 maart 2018.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De standaardvergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis, zoals die is afgesproken binnen het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en die het hof pleegt te volgen, wordt met name geacht de immateriële schade van de vrijheidsbeneming te vergoeden. Onder bijzondere omstandigheden kan van die standaardbedragen ter vergoeding van immateriële schade worden afgeweken. Die bijzondere omstandigheden moeten dan meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker relatief veel zwaarder was en/of relatief veel grotere gevolgen heeft gehad dan de gemiddelde impact en gevolgen die een vrijheidsbeneming in het algemeen met zich meebrengt (en welke impact is verdisconteerd in de forfaitaire bedragen). Het is aan verzoeker om deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Voor materiële schade kan eveneens een vergoeding worden toegekend, mits deze deugdelijk is onderbouwd en met verifieerbare stukken is gestaafd.
Het hof stelt vast dat de door verzoeker aangevoerde bijzondere omstandigheden grotendeels zien op de periode waarin sprake was van vervolging in deze zaak en de duur daarvan, en dat deze omstandigheden niet als zodanig zijn toegespitst op de periode dat verzoeker daadwerkelijk zijn vrijheid in de onderhavige strafzaak is ontnomen. Specifieke bijzondere omstandigheden die zien op die vrijheidsbeneming zijn door verzoeker niet, danwel onvoldoende aangevoerd. Gronden om van de forfaitaire bedragen af te wijken ontbreken daarmee. Het verzoek tot verdubbeling van de forfaitaire bedragen zal worden afgewezen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van immateriële schade vanwege de door verzoeker ondergane verzekering tot een bedrag van € 520,00.
Ad b
Verzocht is om vergoeding van loonderving. In raadkamer is gebleken dat verzoeker vanwege detentie 3 dagen niet heeft kunnen werken, dat hij gemiddeld 6,5 uur werkte en dat zijn uurtarief € 8,64 bedroeg.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van materiële schade vanwege de door verzoeker ondergane verzekering, te weten loonderving tot een bedrag van
€ 168,48.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 530 Sv Pro
Ad c
Verzocht wordt om reiskosten voor het bijwonen van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep.
Verzoeker stelt in eerste aanleg met de eigen de auto vanaf de [adres 1] te Amsterdam naar de Parnassusweg te zijn gereisd en terug (totaal 7 km) en dat hij bij de rechtbank parkeerkosten heeft moeten maken (€ 35,00). De parkeerkosten zijn niet met stukken gestaafd.
In hoger beroep stelt verzoeker met de auto te zijn gereisd vanaf de [adres 2] naar IJdok en terug (totaal 21 km) en dat hij parkeerkosten heeft moeten maken (€ 27,40). De parkeerkosten zijn met stukken gestaafd.
Art 530, eerste lid Sv luidt:
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.
De Wet tarieven in strafzaken luidt -voor zover hier van belang-:
Artikel 6
1. Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur tarieven vast voor vergoedingen voor reis- en verblijfkosten, toekomende aan de in artikel 3, lid 1, sub b, genoemde personen. Onnodig gemaakte reis- en verblijfkosten worden niet vergoed.
2. Onze Minister van Justitie kan nadere regelen stellen.
Artikel 7
1. Indien het gebruik van een bijzonder middel van vervoer noodzakelijk is uit hoofde van leeftijd, ziekte of gebreken worden de kosten daarvan vergoed overeenkomstig door Ons bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
2. Onze Minister van Justitie kan nadere regelen stellen.
Artikel 11 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken (verder: het besluit) luidt:
1. Het tarief voor vergoedingen wegens reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 6 van Pro de wet bedraagt, indien deze vergoedingen worden verstrekt aan:
(…)
d. personen aan wie werkzaamheden zijn opgedragen die niet van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, aan getuigen, aan voogden die wegens een strafzaak tegen een onder hun gezag staande minderjarige ingevolge het Wetboek van Strafvordering moeten worden opgeroepen, aan curatoren, bij toepassing van artikel 509d van dat Wetboek, en aan noodzakelijke geleiders van personen als hiervoor bedoeld, van personen aan wie werkzaamheden zijn opgedragen, van verdachten en van gerekwestreerden, een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, alsmede verblijfkosten tot ten hoogste € 37,85 per dag, met inbegrip van overnachting; het tarief voor de vergoeding van het gebruik van een eigen auto bedraagt ten hoogste € 0,28 per kilometer.
2. Het aantal kilometers, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt berekend naar de kortste reisroute.
3. Voor het gebruik van een bijzonder middel van vervoer in de gevallen, bedoeld in artikel 7 van Pro de wet, wordt een vergoeding verstrekt, berekend naar de werkelijke kosten.
4. Vergoeding voor reis- en verblijfkosten wordt niet meer dan eenmaal toegekend, ook al wordt de reis gemaakt ten behoeve van verschillende zaken.
Op basis van het vorenstaande zal aan verzoeker een kilometervergoeding worden toegekend van
€ 0,28 per kilometer.
De parkeerkosten komen voor vergoeding in aanmerking, doch slechts voor zover deze zijn gestaafd met stukken.
Het hof zal derhalve toekennen (7x0,28 + 21x0,28 + 27,40)
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van reiskosten tot een bedrag van € 35,24.
Ad d
Geen gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van tijdverzuim, te weten loonderving. Het verzoek is onvoldoende gestaafd.
Ad e
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof :
Kent op de voet van artikel 533 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 688,48 (zeshonderdachtentachtig euro en achtenveertig cent).
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 715,24 (zevenhonderddertien euro en vierentachtig cent).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.W.T. Klappe en N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 februari 2025.
De oudste raadsheer beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.403,72 (duizend vierhonderddrie euro en tweeënzeventig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. [stichting] o.v.v. dossiernummer [nummer] ( [verzoeker] Sv).
Amsterdam, 4 februari 2025,
mr. A.W.T. Klappe, oudste raadsheer.