Uitspraak
mrs. I.J.A. Taxen
T.F.B. Jansen, kantoorhoudende te Amsterdam,
mrs. J.A. van der Helen
J. Wind, kantoorhoudende te Amsterdam,
mrs. M. Holtzeren
J.E.S. Hamster, kantoorhoudende te Amsterdam,
1.Het verloop van het geding
2.Inleiding en feiten
related partytransacties zonder deugdelijke, transparante vastlegging en zonder onafhankelijke beoordeling van de marktconformiteit van de voorwaarden. De uitbreiding van de activiteiten naar het buitenland had volgens [A Beheer] in DNK Holding c.s. moeten plaatsvinden. Dit alles levert volgens [A Beheer] (naast andere gronden) gegronde redenen op voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Denk Capital en DNK Holding c.s. Het maakt voorts dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, aldus [A Beheer] .
Mogelijke uitrol van het DNK concept in het buitenland:
business caseinhoudende een uitbreiding van de activiteiten van DNK Holding c.s. naar België. In de presentatie is voorts een schema opgenomen van voor- en nadelen van expansie naar het buitenland. Bij de nadelen is onder meer vermeld: “3-5m euro aan vreemd vermogen nodig met mogelijke impact op de organisatie”, “Impact op organisatie kan het resultaat op de middellange termijn onderdrukken”, “Druk op organisatie in NL terwijl op dit moment nog operationele focus nodig is”. De conclusie luidt onder meer:
business casevolgt dat een eventuele uitbreiding naar het buitenland een negatieve
net present valueheeft. Deze strategische plannen zijn door [G] en [F] op 26 november 2025 besproken met Van de Klaauw en vervolgens op de bestuursvergadering van DNK Holding van 16 december 2025. In de van de bestuursvergadering opgemaakte notulen is vermeld dat (nadat [B] en [D] de zaal hebben verlaten) is besloten dat een uitbreiding naar het buitenland van De Nederlandse Kluis de komende 2 jaar niet in het strategische plan wordt opgenomen, en daarna weer wordt overwogen.
related partytransacties en de wijze waarop deze zijn doorbelast. Uit het conceptrapport van HKA van 4 februari 2026 volgt dat DNK Holding c.s. in de periode 2020-2025 in totaal een bedrag van € 837.000 had moeten doorbelasten aan Landlane, dat Landlane in diezelfde periode in totaal een bedrag van € 455.000 had moeten doorbelasten aan DNK Holding c.s. en dat Landlane na verrekening dus nog een bedrag van € 382.000 aan DNK Holding c.s. moet voldoen.
3.De gronden van de beslissing
corporate opportunityontnomen.
related partytransacties (waaronder de huur van kantoorruimte door DNK Holding c.s. in een met Landlane en Citysafes gedeeld pand in Bussum). Een beoordeling van de marktconformiteit van deze transacties heeft nimmer plaatsgevonden.
related partytransacties hebben DNK Holding c.s. HKA ingeschakeld om een en ander te onderzoeken en daarover te rapporteren. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek worden deze transacties en de daarover gemaakte afspraken beter vastgelegd en op de juiste wijze doorbelast. Op dit moment vindt nog een aanvullend onderzoek plaats door HKA naar de marktconformiteit van verschillende
related partytransacties. Ook op dit punt zullen zo nodig (met terugwerkende kracht) correcties worden doorgevoerd. [J] is benoemd tot interim-commissaris en zal toezien op een ordentelijke uitvoering van dit proces. Zij zal voorts adviseren over de versterking van de governance. In dat kader zijn Zela Beheer en [H] reeds afgetreden als bestuurder respectievelijk commissaris van DNK Holding en is de algemene volmacht van RVR ingetrokken.
business case‘uitbreiding naar België’ alsmede de presentatie van de strategie voor de periode 2020-2025 op 15 juni 2020 gedeeld met de (indirect) aandeelhouders. De conclusie van [E] en [I] luidde dat expansie van de activiteiten naar het buitenland te risicovol was en dat de focus van DNK Holding c.s. gericht bleef op voortzetting en uitbreiding van de activiteiten in Nederland. Op de aandeelhoudersvergadering van 18 juni 2020 is niet gesproken over expansie naar het buitenland. [H] heeft na deze aandeelhoudersvergadering met alle betrokkenen gesproken over de presentatie van [E] en [I] . [H] heeft zijn bevindingen op 3 juli 2020 gedeeld met alle betrokkenen, waarbij hij afsloot met de opmerking dat hij de overtuiging had dat [B] op correcte en integere wijze invulling zou geven aan de uitvoering van zijn buitenlandplannen buiten DNK Holding c.s. om en gaf hij de directie van DNK Holding c.s. zijn akkoord voor de uitvoering van de gepresenteerde strategie.
related partytransacties tussen enerzijds DNK Holding c.s. en anderzijds Landlane en Citysafes en de wijze waarop deze zijn doorbelast. Uit het eerste concept-rapport van HKA blijkt dat Landlane nog een bedrag van € 382.000 moet betalen aan DNK Holding c.s.
related partytransacties een deugdelijke en onafhankelijke beoordeling vergen en dat aan de hand daarvan moet worden bezien hoe deze transacties alsnog op juiste wijze kunnen worden vastgelegd, onder hantering van marktconforme voorwaarden. Zo nodig zullen met terugwerkende kracht financiële correcties worden toegepast. [J] ziet ook toe op een ordentelijk verloop van dit proces.
related partytransacties en/of (ii) een onafhankelijke beoordeling van de marktconformiteit van deze
related partytransacties nog gegronde redenen opleveren om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Denk Capital en DNK Holding c.s.
related partytransacties en de doorbelasting van kosten. De kosten zullen naar aanleiding van de uitkomsten van het eerste onderzoek van HKA (zie 2.41) alsnog op juiste wijze worden doorbelast. Indien uit het aanvullende onderzoek van HKA mocht blijken dat de overeenkomst met Landlane niet is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, zal dit financieel worden gecorrigeerd. [A] heeft niet concreet gesteld welke aan hem als bestuurder en aandeelhouder van Denk Capital toekomende informatie nu nog ontbreekt.
related partytransacties worden onder toeziend oog van een onafhankelijke interim commissaris hersteld. Van buitensluiting van [A Beheer] in de besluitvorming is geen sprake. Gelet op dit alles, in samenhang bezien met hetgeen hiervoor bij de bespreking van het enquêteverzoek is overwogen, is de Ondernemingskamer van oordeel dat [A Beheer] door de door haar gestelde gedragingen van Zela Beheer en [C Beheer] niet zodanig in haar rechten is of wordt geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Dit betekent dat ook het uittredingsverzoek niet toewijsbaar is. Aan de beoordeling van de verzochte voorlopige voorzieningen komt de Ondernemingskamer dan niet toe.