Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1051

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
23-000928-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 287 SrArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf voor medeplegen doodslag en verboden wapenbezit in coffeeshop

Op 19 november 2023 vond in een coffeeshop te Amsterdam een conflict plaats tussen verdachte en slachtoffer, beiden actief in de drugshandel. Tijdens deze ruzie gaf verdachte een geladen vuurwapen aan de medeverdachte met de woorden 'do him, do him'. De medeverdachte schoot het slachtoffer door het hoofd, die later overleed.

De rechtbank had verdachte veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht. Het hof achtte bewezen dat verdachte medepleegde door het wapen te overhandigen en aan te sporen tot het schieten, maar verwierp de bewezenverklaring van moord wegens gebrek aan voorbedachte rade. De verdachte had wel voorwaardelijk opzet op doodslag.

De advocaat-generaal vorderde 15 jaar gevangenisstraf, het hof legde 13 jaar op, rekening houdend met de ernst van het feit, de impact op nabestaanden en de samenleving, en de persoon van verdachte. Daarnaast legde het hof een schadevergoedingsmaatregel op van €24.200,00, hoewel de civiele vordering werd afgewezen wegens reeds gedane voorschotten.

Het hof bepaalde ook de teruggave van bepaalde in beslag genomen goederen en de bewaring van een telefoontoestel ten behoeve van de rechthebbende. De straf zal worden verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag en verboden wapenbezit, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel van €24.200,00.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000928-25
datum uitspraak: 23 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-307493-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadslieden en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
feit 1 primair:hij op of omstreeks 19 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door (vanaf een korte afstand) met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd van die [slachtoffer] te schieten;
feit 1 subsidiair:[medeverdachte] op of omstreeks 19 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door (vanaf een korte afstand) met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd van die [slachtoffer] te schieten, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door een (vuur)wapen ter beschikking te stellen;
feit 2:hij op of omstreeks 19 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
  • een wapen van categorie II, onder 2, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur, kaliber 9mm Browning Kort, zijnde een (vuur)wapen geschikt om automatisch te vuren en/of
  • een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, kaliber 9mm Browning Kort, zijnde een (vuur)wapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere patro(o)n(en), Sellier & Bellot, volmantel, van het kaliber 9mm Browning Kort,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het hof komt weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank, maar hanteert een andere bewijsconstructie en komt tot andere beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en het beslag, zodat een gedeeltelijke bevestiging van het vonnis een te onoverzichtelijk samenstel van beslissingen en motiveringen zou opleveren.

4.Bewijsoverwegingen

4.1.
Inleiding
De volgende feiten en omstandigheden staan (onbetwist) vast.
In de avond van 19 november 2023 vond een ontmoeting plaats in coffeeshop [coffeeshop] , tussen enerzijds de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (verder: de medeverdachte) en anderzijds het slachtoffer [slachtoffer] (verder: het slachtoffer) en de getuigen [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) en [getuige 2] (verder: [getuige 2] ).
De verdachte en het slachtoffer, beiden actief in de drugshandel, hadden een conflict over geld en hadden elkaar daarover al verschillende keren eerder ontmoet. Die avond ontstond in de coffeeshop een ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij het slachtoffer de telefoon van de verdachte heeft afgepakt en niet meer terug gaf. De medeverdachte pakte hierbij het slachtoffer vast. De verdachte en [getuige 2] liepen direct naar buiten, terwijl de medeverdachte in het bijzijn van [getuige 1] met het slachtoffer in discussie ging en hem tegenhield toen hij de ruimte wilde verlaten.
Alle hierboven genoemde betrokkenen zijn op een gegeven moment naar buiten gegaan, behalve het slachtoffer. De verdachte, de medeverdachte, [getuige 1] en [getuige 2] stonden vervolgens bij elkaar, iets verder van de coffeeshop af. Direct daarna is de medeverdachte weggelopen uit dat groepje en de coffeeshop weer ingelopen. De verdachte en [getuige 1] liepen achter hem aan tot aan de deur van de coffeeshop, waarbij [getuige 1] voorbij de verdachte probeerde te komen en de verdachte [getuige 1] tegenhield. Binnen heeft de medeverdachte een vuurwapen getrokken en met één kogel het slachtoffer door zijn hoofd geschoten. Het slachtoffer is die nacht overleden.
Na het geloste schot liep de medeverdachte de coffeeshop uit en zei hij iets in de richting van de verdachte, waarna de verdachte ook zichtbaar aanstalten maakte om weg te gaan. De verdachte keerde echter nog terug naar [getuige 1] en was toen zichtbaar in discussie met hem. De verdachte is uiteindelijk in een taxi gestapt en is vlak over de Duitse grens door de Duitse politie aangehouden. De medeverdachte heeft zich de dag na het incident gemeld bij de politie.
4.2.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 1 primair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag) wordt bewezenverklaard, omdat mede uit de kort na het schietincident afgelegde verklaring van [getuige 1] volgt dat de verdachte voorafgaand aan het schieten een geladen vuurwapen aan de medeverdachte heeft overhandigd en heeft gezegd: ‘do him, do him’. Voorbedachte rade kan niet worden bewezen, zodat de verdachte van moord dient te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard.
4.3.
Standpunt van de verdediging
4.3.1.
Primair standpunt
De verdediging heeft primair verzocht de verdachte van beide feiten integraal vrij te spreken, omdat niet bewezen is dat de verdachte voorafgaand aan het schieten een vuurwapen aan de medeverdachte heeft gegeven en daarbij heeft gezegd ‘do him, do him’. Daartoe is, samengevat, het volgende aangevoerd.
De verdediging kan zich vinden in de conclusie van de rechtbank dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] van 29 november 2023 en daarna onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verdediging is het echter niet eens met de rechtbank dat de in de avond van
19 november 2023 afgelegde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wel betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in de camerabeelden en de verklaring van de medeverdachte.
Daartoe is redengevend dat [getuige 2] op 19 november 2023 niets over de overdracht van een vuurwapen heeft gezegd, zodat alleen de verklaring van [getuige 1] op 19 november 2023 overblijft, waarin [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte een vuurwapen aan de medeverdachte gaf en zei: ‘do him, do him’. Bij deze laatstgenoemde verklaring zijn echter kanttekeningen te plaatsen. Zo was [getuige 1] een vriend van het slachtoffer en betrokken bij het onderliggende conflict. Het verhoor van 19 november 2023 is bovendien niet audiovisueel opgenomen, hetgeen een ernstige belemmering oplevert van het recht op een eerlijk proces genoemd in artikel 6 EVRM Pro, omdat niet te controleren is of de verklaring op een correcte wijze is geverbaliseerd. Daarom moet met uiterste terughoudendheid met deze verklaring worden omgegaan. Daar komt bij dat, zodra de politie op de plaats delict kwam, [getuige 1] niet over de overdracht van het vuurwapen, noch het zeggen van ‘do him, do him’ heeft verklaard. Ook kan niet worden uitgesloten dat [getuige 1] in het verhoor van 19 november 2023 enkel heeft
veronderstelddat de verdachte het vuurwapen aan de medeverdachte heeft overhandigd en dat die veronderstelling onderdeel is gaan uitmaken van zijn herinneringen, dan wel dat [getuige 1] hierover heeft gelogen. Daarnaast heeft geen van de overige getuigen iets verklaard over de overdracht van het wapen en de uitlatingen die de verdachte daarbij zou hebben gedaan, volgt de overdracht ook niet uit de camerabeelden van de coffeeshop en heeft overig onderzoek geen belastende resultaten opgeleverd.
4.3.2.
Subsidiair standpunt
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat – indien toch bewezen kan worden dat de verdachte een vuurwapen aan de medeverdachte heeft overhandigd – geen sprake is van voorbedachte rade, omdat niet is gebleken van een vooropgezet plan om het slachtoffer te doden. Ook is geen sprake van medeplegen, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het beschieten van het slachtoffer en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Bovendien resteert dan nog de vraag of niet eerder sprake is van (de niet tenlastegelegde) uitlokking dan van medeplegen of medeplichtigheid.
4.4.
Overwegingen van het hof
4.4.1.
Overdracht van het vuurwapen
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte betrokken is geweest bij het doden van het slachtoffer door aan de medeverdachte, voordat deze bij de coffeeshop naar binnen ging en op het slachtoffer schoot, een vuurwapen te overhandigen. Daartoe overweegt het hof als volgt.
4.4.1.1.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen
Zoals hiervoor in de weergave van het standpunt van de verdediging is genoemd, hebben [getuige 1] en [getuige 2] op verschillende data verklaringen afgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen die deze getuigen ná hun verhoren van 19 november 2023 hebben afgelegd, buiten beschouwing moeten worden gelaten. Gelet op de inhoud van die verklaringen en gezien hetgeen rechtspsycholoog P.J. van Koppen in zijn rapportages en ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat die later afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn vanwege in de daarin voorkomende substantiële inconsistenties en aanwijzingen dat beide getuigen in hun latere verklaringen door externe factoren zijn beïnvloed.
Van een dergelijke, externe beïnvloeding ten tijde van het afleggen van de verklaringen op
19 november 2023, kort na de schietpartij, is niet gebleken. Ook geven die verklaringen een beeld van wat de getuigen uit eigen waarneming – en dus deels onderling verschillend – aan de politie hebben verklaard. De enkele omstandigheid dat die verhoren niet audiovisueel zijn geregistreerd, maakt niet dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces als genoemd in artikel 6 EVRM Pro. Het hof overweegt daartoe dat het gaat om een kort, eerste verhoor dat is afgenomen op de avond van het incident. Niet is aangevoerd of gebleken dat deze verklaringen van de getuigen onjuist of onvolledig zouden zijn weergegeven. Omdat het hof echter de latere verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar acht, zal het hof voorzichtig met deze verklaringen omgaan, in die zin dat de verklaringen voldoende steun moeten vinden in overige onderzoeksbevindingen om voor het bewijs bruikbaar te zijn.
[getuige 2] heeft in zijn verklaring van 19 november 2023 niet verklaard dat hij heeft gezien dat er een vuurwapen werd overgedragen. Om die reden kan deze verklaring dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. Dan blijft over de verklaring van [getuige 1] van 19 november 2023, afgelegd op het politiebureau. Het hof acht deze verklaring – met inachtneming van wat hieronder onder 4.4.1.2. wordt overwogen – wel bruikbaar voor het bewijs, aangezien [getuige 1] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte buiten de coffeeshop een vuurwapen aan de medeverdachte gaf en daarbij zei: ‘do him, do him’, waarna de medeverdachte naar binnen liep en [getuige 1] een knal hoorde.
4.4.1.2.
Overige bewijsmiddelen
Gelet op wat hiervoor is overwogen over hoe om te gaan met de verklaring van [getuige 1] , zal het hof moeten beoordelen of bovengenoemde verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door de overige onderzoeksbevindingen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Ten eerste ziet het hof steun voor de verklaring van [getuige 1] in de camerabeelden. Hoewel daarop de overdracht van een wapen niet zichtbaar is, is daarop wel zichtbaar dat kort voor het schietincident de verdachte, de medeverdachte en [getuige 1] dicht bij elkaar stonden, dat vervolgens de medeverdachte weer naar de coffeeshop liep en dat [getuige 1] achter hem aan wilde, maar dat de verdachte [getuige 1] daarbij tegenhield, zoals hij overigens ook zelf heeft verklaard Het hof acht de verklaring die de verdachte hierover ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, dat hij dit deed om de medeverdachte ‘de ruimte’ te geven om zijn (verdachtes) telefoon terug te krijgen, niet geloofwaardig. De verdachte hield [getuige 1] met alle macht tegen, om te voorkomen dat [getuige 1] de coffeeshop in kon lopen om de medeverdachte tegen te houden. Te meer gelooft het hof de verdachte hierin niet omdat op de camerabeelden te zien is te dat de verdachte bleef praten in de richting van de medeverdachte. Ook is zichtbaar dat de medeverdachte in de coffeeshop nog omkijkt in de richting van de verdachte en een gebaar in diens richting maakt, kort voordat hij zich naar het slachtoffer toedraait en het schot lost.
Daarnaast ziet het hof steun in de verklaring van de medeverdachte dat hij voorafgaand aan het incident het vuurwapen nog niet bij zich had. Het hof ziet geen reden de verklaring van de medeverdachte op dit punt ongeloofwaardig te achten. Uit deze verklaring leidt het hof af dat de medeverdachte het vuurwapen ten tijde van het incident van een ander moet hebben gekregen en dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat die ander de verdachte is geweest, gelet op de uit de camerabeelden en de verklaring van de verdachte en de medeverdachte gebleken omstandigheden in hun geheel bezien.
Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat de medeverdachte tijdens het conflict in de coffeeshop ten opzichte van de verdachte een ondergeschikte rol vervulde. Dat leidt het hof af uit één van de whatsappberichten die in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen, waaruit blijkt dat de verdachte ‘ [medeverdachte] ’ (de bijnaam van de medeverdachte) ‘voor het geval dat’ ergens heen kon sturen: ‘Shall I send [medeverdachte] ? Just in case. Or Standby?’. Ook uit het antwoord van de verdachte op een vraag van de politie naar aanleiding van dit bericht of hij de medeverdachte kon aansturen – inhoudende: ‘Je ziet nog wel veel meer instructies die [medeverdachte] uitvoert’ – maakt het hof op dat de medeverdachte met de verdachte meeging om eventuele opdrachten van de verdachte uit te voeren. Deze ondergeschikte rol volgt ook, naar het oordeel van het hof, uit de verklaring van de medeverdachte waarin hij aangeeft dat hij het slachtoffer vastpakte toen deze de verdachte belaagde, hem weghield van de verdachte en meerdere pogingen deed de telefoon van de verdachte terug te krijgen, terwijl de verdachte zelf zich afzijdig hield maar wel met (onder meer) de medeverdachte in contact bleef. Dit steunt het hof in zijn overtuiging dat de medeverdachte niet op eigen initiatief heeft gehandeld, maar dat de verdachte de medeverdachte heeft aangestuurd door hem een vuurwapen te geven en hem op te dragen opnieuw naar het slachtoffer te gaan ‘to do him’.
Naar het oordeel van het hof biedt het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende inhoudelijke steun voor de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte het vuurwapen aan de medeverdachte heeft gegeven.
Dat [getuige 1] in zijn eerste verklaring ter plaatse niet meteen tegen de politie heeft verklaard dat de verdachte het vuurwapen aan de medeverdachte had overhandigd, maakt het voorgaande niet anders, aangezien vanwege het karakter van een dergelijk verhoor op straat niet verwacht kan worden dat een getuige volledig wordt bevraagd en dan een complete verklaring aflegt. Daar staat tegenover dat [getuige 1] wel meteen heeft verklaard dat ‘de mannen die binnen waren en hebben geschoten’ twee Somaliërs uit Engeland waren en dat die verklaring verder geen inconsistenties vertoont met de getuigenverklaring die hij later op die avond heeft afgelegd.
4.4.2.
Vrijspraak van moord
Het hof is – overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel
dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde moord, omdat voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.4.3.
Bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat op basis van het voorgaande niet kan worden bewezen dat de verdachte ‘vol opzet’ had op de dood van het slachtoffer, dat wil zeggen dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het vuurwapen aan de medeverdachte had gegeven met de opdracht of het doel om het slachtoffer dood te schieten. Wel volgt uit het dossier dat het voor de verdachte van groot belang was om zijn telefoon van het slachtoffer terug te krijgen en hij kreeg de telefoon niet terug. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de verdachte vervolgens het vuurwapen aan de medeverdachte gegeven.
Het hof is van oordeel dat de verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er was immers al meerdere dagen sprake van een conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, waarvan de medeverdachte op de hoogte was. Dit conflict escaleerde op 19 november 2023 in de coffeeshop, waarbij het slachtoffer de telefoon van de verdachte heeft afgepakt en niet wilde teruggeven. Door op een dergelijk moment de medeverdachte een doorgeladen vuurwapen te overhandigen en te zeggen ‘do him’, bestond de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk geraakt zou worden bij het gebruik van het vuurwapen door de medeverdachte. Door aldus te handelen en de medeverdachte aan te sturen, heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard.
4.4.4.
Bewezenverklaring van medeplegen
Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, aangezien de verdachte kort voor het schieten het vuurwapen heeft overhandigd aan de medeverdachte, hem heeft aangespoord om het slachtoffer wat aan te doen en [getuige 1] heeft tegengehouden zodat de medeverdachte zijn ding kon doen. Hiermee heeft de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht geleverd om van medeplegen te kunnen spreken. De verweren worden verworpen.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 primair:hij op 19 november 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer] te schieten;
feit 2:hij op 19 november 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met ander
  • een wapen van categorie II, onder 2, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur, kaliber 9mm Browning Kort, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren of
  • een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, kaliber 9mm Browning Kort, zijnde een vuurwapen en
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroon Sellier & Bellot, volmantel, van het kaliber 9mm Browning Kort,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

8.Oplegging van straf

8.1.
Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair (medeplegen van doodslag) en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair (medeplegen van doodslag) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.
De verdediging heeft ten aanzien van de op te leggen straf geen verweer gevoerd.
8.2.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag, waarbij het slachtoffer in een volle coffeeshop met één schot door het hoofd is geschoten. Hoewel de verdachte zelf niet heeft geschoten, heeft hij een minstens zo belangrijke rol gehad als de medeverdachte door hem een geladen vuurwapen te overhandigen en hem aan te sturen met de woorden ‘do him’. Het overhandigen van het wapen levert ook een overtreding van de Wet wapens en munitie op.
De verdachte heeft het slachtoffer het belangrijkste recht dat een mens heeft, het recht op leven, afgenomen. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Dergelijke misdrijven veroorzaken een ernstige schok voor de rechtsorde en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, met name nu het misdrijf in dit geval plaatsvond in een drukke uitgaansgelegenheid in het centrum van de stad en veel mensen van een korte afstand hebben gezien hoe het slachtoffer om het leven werd gebracht. De ervaring leert dat dergelijke heftige gebeurtenissen de aanwezigen nog lange tijd en misschien wel de rest van hun leven bijblijven. Ook heeft het feit een grote impact gehad op de nabestaanden, zoals is gebleken uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen.
Het handelen van de verdachte lijkt beïnvloed te zijn geweest door een conflict over geld, dat zich afspeelde in het drugsmilieu. In plaats van op een redelijke wijze met dit conflict om te gaan, zoals van eenieder verwacht mag worden, heeft de verdachte zichzelf niet in de hand gehouden en op een onomkeerbare wijze gehandeld, met alle gevolgen voor het slachtoffer, de nabestaanden en omstanders van dien. Hierbij heeft hij zich niets aangetrokken van de gevolgen van zijn handelen.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, rechtvaardigen naar het
oordeel van het hof enkel een straf die langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Hiermee wil het hof (aan de verdachte en aan de maatschappij) tot uitdrukking brengen dat het onaanvaardbaar is om een ander opzettelijk van het leven te beroven. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof gelet op straffen die in soortgelijke zaken door rechters worden opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Het hof ziet, in tegenstelling tot de advocaat-generaal, geen aanleiding om de verdachte een hogere straf op te leggen dan de rechtbank.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

9.Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en nog niet aan hem teruggegeven:
  • een bedrag van € 100 (G6442262);
  • een horloge, merk Rolex (G6442253);
  • een telefoontoestel (G6442235);
  • een telefoontoestel (G6425421);
  • een bedrag van € 119,27 (tegenwaarde van 100 GBP) (G6507130).
Het hof zal gelasten dat het telefoontoestel met beslagnummer G6425421 wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Uit het dossier is namelijk gebleken dat dit telefoontoestel weliswaar onder de verdachte in beslag is genomen, maar niet aan de verdachte toebehoort.
De overige voorwerpen zullen aan de verdachte worden teruggegeven, nu deze aan de verdachte toebehoren en niet is gebleken van een grond om enige andere beslissing over deze goederen te nemen.

10.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

10.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij, tevens nabestaande [benadeelde partij] (de moeder van het slachtoffer) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.200,00 en bestaat uit € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade) en € 6.700,00 aan materiële schade (uitvaartkosten). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel (en hoofdelijk met de medeverdachte) toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in het hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
10.2.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat het schadebedrag reeds via de voorschotregeling van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is vergoed. Wel heeft de advocaat-generaal verzocht om hoofdelijk een schadevergoedingsmaatregel als genoemd in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat het voorgeschoten geldbedrag kan worden verhaald op de verdachte.
De verdediging heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.
10.3.
Oordeel van het hof
10.3.1.
Ten aanzien van de immateriële schade
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan als gevolg waarvan het
slachtoffer is overleden. Artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt – voor zover hier van belang – dat als het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich kunnen voegen ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander gehouden tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag van zogenoemde affectieschade aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. Op grond van artikel 1 van Pro het Besluit affectieschade, waarbij de benadeelde partij als moeder van het slachtoffer valt in de categorie “meerderjarige niet-thuiswonende kinderen en ouders (c en d)”, heeft zij recht op vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade. De vordering tot vergoeding van immateriële schade komt dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
10.3.2.
Ten aanzien van de materiële schade
Op grond van artikel 51f, tweede lid Sv en artikel 6:108, tweede lid BW komen de uitvaartkosten als kosten voor de lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. De kosten zijn voldoende onderbouwd en zijdens de verdediging niet betwist, zodat de vordering tot vergoeding van materiële schade, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt.
10.3.3.
Afwijzing van de vordering
Hoewel de vordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt (zoals hierboven is overwogen), zal deze worden afgewezen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is namelijk gebleken dat de vordering bij het onherroepelijke vonnis van de medeverdachte van 3 april 2025 met parketnummer 13-307491-23 geheel en hoofdelijk is toegewezen en de benadeelde partij door middel van de voorschotregeling van het CJIB in die zaak volledig schadeloos is gesteld. Het hof stelt vast dat er door deze betaling bij de benadeelde partij geen schade meer is, zodat de gevorderde vergoeding van materiële en immateriële schade in de onderhavige zaak moet worden afgewezen.
10.3.4.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
Het hof is van oordeel dat de gestelde en onderbouwde (hierboven genoemde) kosten en schade binnen de reikwijdte van kosten ten gevolge van een onrechtmatige daad vallen zoals bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. De verdachte is hiervoor civielrechtelijk aansprakelijk. Het in eerste aanleg in de zaak van de medeverdachte toegewezen bedrag van € 24.200,00 komt het hof, mede gelet op de onderbouwing, niet onrechtmatig of ongegrond voor, zoals hiervoor reeds is overwogen.
Het hof zal, in het belang van de benadeelde partij en om te bevorderen dat de (mede) door de verdachte rechtstreeks toegebrachte schade (mede) door hem zal worden vergoed, de maatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte (hoofdelijk) opleggen voor een bedrag van € 24.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Aangezien de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met de medeverdachte heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal daarom bepalen dat indien de medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
13 (dertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggave aan de verdachtevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • een bedrag van € 100 (G6442262);
  • een horloge, merk Rolex (G6442253);
  • een telefoontoestel (G6425421);
  • een bedrag van € 119,27 (tegenwaarde van 100 GBP) (G6507130).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een telefoontoestel (G6442235).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.200,00 (vierentwintigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 6.700,00 (zesduizend zevenhonderd euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 139 (honderdnegenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 november 2023
en van de immateriële schade op 19 november 2023.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A. Eichperger, mr. B.A.A. Postma en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 april 2026.