Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1092

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
23-001962-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 26 Leerplichtwet 1969Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep leerplichtzaak wegens niet nakomen schoolbezoekverplichting

In deze leerplichtzaak stond de vraag centraal of verdachte als gezagsdrager verantwoordelijk was voor het niet nakomen van de leerplichtverplichting van zijn minderjarige dochter. De dochter was gedurende tien dagen zonder toestemming van de leerplichtambtenaar op vakantie, waardoor zij de school niet bezocht.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet had voldaan aan de verplichting om te zorgen dat zijn dochter de school geregeld bezocht, zoals vereist in artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd, aangezien geen omstandigheden aannemelijk waren die strafuitsluiting rechtvaardigden. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en de eerdere strafbeschikking en legde een geldboete van €900 op, passend geacht gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden en de draagkracht van verdachte.

Het belang van het voorkomen van schoolverzuim werd benadrukt, waarbij het hof stelde dat de leerplichtwet gehandhaafd moet worden vanwege het maatschappelijk belang van schoolbezoek. De opgelegde straf is een onvoorwaardelijke geldboete, met een subsidiaire hechtenis van negen dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €900 wegens het niet nakomen van de leerplichtverplichting van zijn dochter.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001962-25
datum uitspraak: 9 april 2026
VERSTEK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 7 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-292451-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1983,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juli 2023 tot en met 20 juli 2023 te Hoorn, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam] , geboren op [geboortedag 2] 2009, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van deze jongere, had belast, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 10 juli 2023 tot en met 20 juli 2023 te Hoorn als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam] , geboren op [geboortedag 2] 2009, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van deze jongere, had belast, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 900,00 subsidiair 18 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is ervoor verantwoordelijk dat zijn dochter [naam] , zonder toestemming van de leerplichtambtenaar, gedurende tien dagen op vakantie is geweest en daardoor de school waar zij stond ingeschreven gedurende deze periode niet heeft bezocht. De Leerplichtwet 1969 verplicht de ouder, in het belang van de jongere, te trachten schoolverzuim te voorkomen. Met schoolbezoek zijn zwaarwegende belangen gemoeid en het is dan ook een maatschappelijk belang dat de Leerplichtwet wordt gehandhaafd.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 november 2023 onder CJIB-nummer [CJIB-nummer] .
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 900,00 (negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
9 (negen) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. M. Iedema en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2026.
Mr. M. Iedema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.