Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1126

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
23-000819-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt deels voorwaardelijke straf voor straatroven met geweld

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024, waarin hij werd veroordeeld voor twee straatroven met geweld. De verdachte werd vrijgesproken van feit 2, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen die vrijspraak.

Het hof voegde een verklaring van verdachte als bewijsmiddel toe en verving de bewijsoverweging omtrent feit 3. Op basis van verklaringen van het slachtoffer, camerabeelden en de verklaring van verdachte concludeerde het hof dat verdachte en een medeverdachte samen medeplegers waren van diefstal met geweld. Het verweer dat verdachte alleen een oude ruzie wilde uitpraten werd verworpen.

De strafoplegging werd door het hof aangepast. Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn positieve gedragsverandering, werd een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 240 dagen opgelegd, waarvan 237 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege verstreken proeftijd en positieve ontwikkelingen.

Het arrest bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige en benadrukt het belang van de positieve gedragsverandering van verdachte om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 dagen gevangenisstraf waarvan 237 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens straatroven met geweld.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000819-24
datum uitspraak: 28 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-087381-23 en
10-337310-21 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Zijn hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre wordt het vonnis vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
  • het navolgende bewijsmiddel toevoegt;
  • de navolgende bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde in de plaats stelt van die van de rechtbank (pagina 4 van het vonnis onder het kopje ‘

Toevoeging van een bewijsmiddel

- De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Ik was inderdaad de enige negroïde persoon van de groep.
Het is juist dat ik tegen de aangever heb gezegd: “if you want sigarets, you have to pay”, “you can get money from the ATM” en “how much money do you have to get your phone back”.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
Ik ben inderdaad naast die jongen gaan zitten en ik hield de stang vast zodat hij niet weg kon. Ik zat aan zijn tasje.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een oude ruzie met de aangever [aangever] (verder: [aangever] ) wilde uitpraten en dat hij daarom in de tram naast [aangever] is gaan zitten en de stang heeft vastgehouden om te voorkomen dat [aangever] weg kon komen, dat hij [aangever] in het kader van die ruzie in de tram heeft geïntimideerd en dat hij, om [aangever] te pesten en te kleineren, aan zijn tasje heeft gezeten. De verdachte had niet de intentie om de aangever te beroven; dat was een zelfstandige actie van de medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ).
Het hof overweegt als volgt.
[aangever] heeft verklaard dat hij op 27 maart 2023 in Rotterdam in de tram is gestapt en dat drie jongens die hij niet kende om hem heen zijn gaan zitten. NN1 (de verdachte) is naast hem gaan zitten en voelde aan en in zijn tas. Nadat [aangever] de tram had verlaten constateerde hij dat zijn telefoon was weggenomen.
Op camerabeelden van het incident is te zien dat [aangever] en de verdachte en de twee medeverdachten (waaronder de medeverdachte [medeverdachte] ) de tram zijn ingestapt. De verdachte is even later naast [aangever] gaan zitten en heeft [aangever] ingesloten door [aangever] van zijn zitplaats aan het gangpad naar de zitplaats aan de linkerzijde (aan het raam) te drukken. In reactie daarop is [aangever] opgestaan en heeft geprobeerd weg te komen. Dat lukte niet omdat de verdachte de weg van [aangever] blokkeerde door zijn benen recht voor de zitplaats te houden en zijn hand vast te houden aan de stang van de zitting voor hem. In deze schermutseling tussen de verdachte en [aangever] , waarbij [aangever] heeft geprobeerd weg te komen, heeft [medeverdachte] de telefoon van [aangever] weggenomen.
De verklaring van [aangever] – kort gezegd – inhoudende dat hij door de verdachten is beroofd van zijn telefoon wordt ondersteund door de (beschrijving van de) camerabeelden.
De ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring van de verdachte dat hij in de tram een oude ruzie wilde uitpraten met [aangever] acht het hof niet geloofwaardig. Allereerst niet omdat de aangever heeft verklaard zijn belagers niet te kennen. Het hof heeft geen reden hieraan te twijfelen, te meer niet nu het juist voor de hand had gelegen dat als de aangever zijn belager(s) wel kende, hij hun naam/namen aan de politie had doorgegeven zodat zij de telefoon van de aangever konden traceren. Bovendien is op de beelden beluisterd dat de verdachte aan [aangever] vraagt: “Geef eens jouw voornaam?” (dossierpagina 208) en ook dat wijst er niet op dat zij elkaar al kenden. Daarnaast wijst de actie van de verdachte waarbij hij aan het tasje van de aangever zat meer in de richting van het wederrechtelijk willen toe-eigenen van spullen van de aangever dan van het willen uitpraten van een oude ruzie danwel het willen pesten/kleineren van de aangever. De verdachte hield na de check in het tasje de aangever fysiek tegen, wat de medeverdachte [medeverdachte] in staat stelde de telefoon van de aangever weg te nemen.
Het hof gaat er op basis van de bewijsmiddelen en gelet op het voorgaande vanuit dat bij zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] wel degelijk het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening van de telefoon bestond en dat zij samen de medeplegers van de diefstal met (bedreiging met) geweld zijn geweest. Het verweer wordt dus verworpen.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen waarvan 237 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen, binnen een tijdsbestek van 48 uur, schuldig gemaakt aan het plegen van twee straatroven waarbij twee nietsvermoedende personen – een toerist in Amsterdam en een verstandelijk beperkte man in Rotterdam – groepsgewijs zijn benaderd, geïntimideerd en bestolen van hun telefoon. De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin zonder erbij stil te staan dat een telefoon in de regel een grote persoonlijke en praktische waarde heeft voor de gebruiker en dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Daar komt nog bij dat dit soort delicten zorgen voor gevoelens van onveiligheid bij getuigen en bij de maatschappij.
Gelet op de ernst van de feiten en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur, zoals in eerste aanleg ook is gebeurd, gerechtvaardigd zijn.
In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door de verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte woont tegenwoordig samen met zijn vriendin in [plaats] en werkt daar fulltime, naar volle tevredenheid van zijn werkgever. De verdachte en zijn vriendin hebben daar vorig jaar een woning gekocht waar zij samen de financiële lasten voor dragen. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat de verdachte zijn baan kwijtraakt en dat de hypotheek van de koopwoning niet meer betaald kan worden.
Het hof heeft, mede op basis van het gesprek met de verdachte op de zitting in hoger beroep en de door zijn raadsvrouw overgelegde stukken, de indruk gekregen dat de verdachte een begin heeft gemaakt met een positieve ontwikkeling in zijn leven om onder meer te bewerkstelligen dat hij niet meer met justitie in aanraking komt. Het hof wil deze positieve gedragsverandering niet doorkruisen en ziet (onder meer) hierin reden de verdachte een taakstraf en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen (waarvan hij het onvoorwaardelijke deel reeds in voorarrest heeft uitgezeten), die mede kan dienen als stok achter de deur voor de momenten dat de verdachte in de verleiding komt in zijn oude gedrag te vervallen. De verdachte heeft een andere leefomgeving, heeft werk gevonden waarin hij fulltime goed meedraait en woont samen met zijn vriendin in een koopwoning waarvoor hij ook zijn verantwoordelijkheden neemt. Het is mede in het belang van de maatschappij dat de verdachte daadwerkelijk een bestendige positieve wending aan zijn leven weet te geven, omdat daarmee het gevaar op herhaling van het plegen van soortgelijke misdrijven wordt beperkt. Het hof ziet daarom – met de advocaat-generaal – aanleiding om ten voordele van de verdachte tot een andere strafoplegging te komen dan de rechtbank.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uren, passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2022 (parketnummer 10-337310-21) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden verlengd met één jaar. Indien dat niet mogelijk is moet de vordering worden afgewezen. De raadsvrouw heeft het hof hetzelfde verzocht.
Het hof stelt vast dat verlenging van de proeftijd niet meer mogelijk is omdat de proeftijd reeds is verstreken. Gelet op de hiervoor beschreven actuele positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof in dit specifieke geval termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
237 (tweehonderdzevenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Amsterdam van
23 februari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2022 (parketnummer 10-337310-21) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. B.A.A. Postma en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
28 april 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.