Uitspraak
Onderzoek van de zaak
31 maart 2026 en 1 mei 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Vonnis waarvan beroep
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging
ne bis in idem-beginsel, de beginselen van een goede procesorde en het recht op ongestoord genot van eigendommen. [verdachte] en [bedrijf 1] . mochten er na de vrijspraak en het sepot op vertrouwen dat zij niet opnieuw door justitie zouden worden vervolgd. Om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
ne bis in idem-beginsel. Daarbij is wat betreft [bedrijf 1] . naar voren gebracht dat tegen deze rechtspersoon niet eerder een strafzaak is aangebracht bij de rechter. Na een sepotbeslissing kan opnieuw worden vervolgd als sprake is van een novum. Op de inhoud daarvan zal tijdens de inhoudelijke behandeling nader worden ingegaan. Ook overigens levert onderhavige vervolging volgens de advocaat-generaal geen strijd op met het
ne bis in idem-beginsel, omdat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’. Weliswaar vallen de tenlastegelegde feiten in Kolbak en Terrel onder dezelfde overkoepelende delictsomschrijving (witwassen), maar – getoetst aan de feitelijke maatstaf – is geen sprake van hetzelfde feit, want:
ne bis in idem-beginsel zijn die aan vervolging in de weg staan.
ne bis in idem-beginsel ontleent het hof het toetsingskader aan de rechtspraak van de Hoge Raad, in het bijzonder aan het arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102). Deze rechtspraak heeft betrekking op de spiegelbeeldige situatie waarin het gaat om de toelaatbaarheid van een wijziging van de tenlastelegging gedurende het onderzoek ter terechtzitting, waarbij de maatstaf luidt dat de tenlastelegging na de wijziging ervan geen ander feit mag opleveren als bedoeld in artikel 68, eerste lid, Sr . Toegespitst op de vraag naar de toelaatbaarheid van een herhaalde vervolging luidt het toetsingskader als volgt.
ne bis in idem-kwestie. Zij kunnen er als zodanig niet toe leiden dat de maatstaf van artikel 68, eerste lid, Sr een andere invulling krijgt.
ne bis in idem-beginsel als bedoeld in artikel 68, eerste lid, Sr . Het Openbaar Ministerie is daarin niet-ontvankelijk.
ne bis in idem-beginsel. Daar komt bij dat het onderzoek Kolbak voor [verdachte] is geëindigd in een arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat een onrechtmatige toestand zoals omschreven in de tenlastelegging niet kon worden bewezen. De vennootschap hoefde in dat oordeel van de strafrechter in elk geval geen aanleiding te zien om veranderingen van enigerlei aard aan te brengen.
BESLISSING
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 mei 2026.