Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1196

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-002689-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SrArt. 420bis SrArt. 422 SvArt. 283 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof verklaart OM niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem bij witwaszaak Wallenpanden

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep geoordeeld over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een strafzaak tegen een verdachte en zijn bedrijf, die worden verdacht van witwassen van onroerend goed op de Amsterdamse Wallen. De zaak betreft een vervolg op een eerdere strafzaak (onderzoek Kolbak) waarin de verdachte in 2009 onherroepelijk werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs dat de panden een criminele herkomst hadden. De huidige vervolging (onderzoek Terrel) richt zich op een latere periode en een andere variant van witwassen, waarbij de verdachte feitelijk leiding zou hebben gegeven aan het witwassen via zijn bedrijf.

De verdediging voerde aan dat de vervolging in strijd is met het ne bis in idem-beginsel, omdat het om hetzelfde feit gaat als in de eerdere zaak. Het OM stelde dat er sprake is van een ander feit vanwege verschillen in pleegperiode, witwasvariant en rol van de verdachte. Het hof heeft de juridische aard van de feiten en de feitelijke gedragingen van de verdachte uitgebreid vergeleken en geoordeeld dat ondanks verschillen in details de kern van de vervolging hetzelfde is: het witwassen van dezelfde panden met dezelfde materiële gedragingen.

Het hof benadrukte dat het arrest in Kolbak een onherroepelijk oordeel bevatte dat de Wallenpanden geen criminele herkomst hadden, wat de huidige vervolging ondermijnt. Ook de vervolging van het bedrijf stuit op de beginselen van een behoorlijke procesorde, omdat het primair gericht is op het treffen van de verdachte via zijn vermogen. Het hof verklaarde daarom het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van zowel de verdachte als zijn bedrijf.

De advocaat-generaal had betoogd dat het verweer ontijdig was en pas na inhoudelijke behandeling kon worden beoordeeld, maar het hof oordeelde dat de preliminaire ontvankelijkheidskwestie op basis van de beschikbare stukken kon worden beslist. Voorwaardelijke verzoeken tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU werden niet behandeld omdat zij niet relevant waren in dit stadium.

Het arrest bevestigt het belang van het ne bis in idem-beginsel en de bescherming tegen dubbele vervolging voor dezelfde feiten, ook bij verschillende juridische kwalificaties en pleegperiodes, mits de kern van het strafbare feit gelijk blijft.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens ne bis in idem.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002689-24
datum uitspraak: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 71-312098-22 tegen:
[bedrijf 1],
gevestigd te [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 maart 2026 en 1 mei 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de door de raadsman gevoerde preliminaire verweren, van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte,
[verdachte] , naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging

Inleiding
Het onderzoek Terrel
Het Openbaar Ministerie vervolgt [bedrijf 1] ., in het onderzoek dat bekend is onder de naam 26Terrel, wegens witwassen, gepleegd in de periode van 31 januari 2006 tot en met 27 juli 2023. Tegen [verdachte] , die via [bedrijf 2] . enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . is, is eveneens in dit kader een vervolging gestart. Hem wordt verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan het door [bedrijf 1] . gepleegde witwassen in dezelfde periode. In beide zaken vermeldt de tenlastelegging dezelfde objecten die zouden zijn witgewassen, namelijk onroerend goed (voornamelijk in de vorm van appartementsrechten) in het centrum van Amsterdam . Dit onroerend goed is ook wel bekend onder de aanduiding “de Wallenpanden ” en wordt in het procesdossier ook telkens zo aangeduid. Het hof zal deze benaming in het hiernavolgende ook hanteren. Wegens de samenhang in en het verband tussen de in de beide zaken te beantwoorden rechtsvragen zal het hof deze in beide zaken gezamenlijk bespreken. Deze rechtsvragen kunnen, zoals hierna zal blijken, worden onderscheiden maar niet gescheiden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 11 november 2024 beide verdachten van de gehele tenlastelegging vrijgesproken. Aan de inhoudelijke beoordeling van de tenlastelegging is in eerste aanleg een intensief debat voorafgegaan over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Het antwoord op de ontvankelijkheidsvraag hield partijen verdeeld. De rechtbank heeft de vraag of het de officier van justitie was toegestaan om de verdachten te vervolgen positief beantwoord. In hoger beroep heeft de verdediging in beide zaken bij wijze van preliminair verweer deze kwestie opnieuw aan de orde gesteld.
Het (eerdere) onderzoek Kolbak
In een eerder onderzoek, bekend onder de naam Kolbak , is [verdachte] vervolgd wegens, onder meer, het medeplegen van gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006. Ook daarin ging het onder meer om de Wallenpanden . [verdachte] is bij arrest van het hof van 3 juli 2009 van de gehele tenlastelegging vrijgesproken (hierna: het Kolbak -arrest).
In het onderzoek Kolbak is ook [bedrijf 1] . als verdachte van onder meer het witwassen van de Wallenpanden aangemerkt. [bedrijf 1] . heette toen nog [bedrijf 4] . Er heeft een opsporingsonderzoek plaatsgevonden en er heeft tegen de rechtspersoon een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) gelopen. Blijkens het uittreksel uit de strafrechtelijke documentatie is het onderzoek afgesloten met een beslissing van de officier van justitie van 29 maart 2011. Deze hield in dat de zaak werd geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Van deze beslissing is de rechtspersoon op de hoogte gesteld.
Standpunten van partijen
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft het hof verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat in de strafzaak Terrel sprake is van ‘hetzelfde feit’, als bedoeld in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), als in de eerdere strafzaak Kolbak . Daartoe is in de kern naar voren gebracht dat Terrel en Kolbak zien op dezelfde natuurlijke en rechtspersonen, dezelfde panden, dezelfde financieringsconstructie, dezelfde materiële gedraging, dezelfde chronologie van gebeurtenissen en dezelfde verdenking: het hebben van de eigendom en het bezit van de Wallenpanden voor een vermeend andere feitelijke eigenaar. Het enige verschil is dat de ten laste gelegde perioden in Kolbak en Terrel elkaar niet overlappen, maar opvolgen; deze enkele temporele bijstelling maakt een nieuwe vervolging echter niet rechtmatig, nu in Kolbak reeds onherroepelijk is geoordeeld dat de Wallenpanden niet uit misdrijf afkomstig zijn. Alleen al om die reden levert dit geen voortdurend delict op.
Gelet op het voorgaande is de onderhavige vervolging volgens de verdediging in strijd met het
ne bis in idem-beginsel, de beginselen van een goede procesorde en het recht op ongestoord genot van eigendommen. [verdachte] en [bedrijf 1] . mochten er na de vrijspraak en het sepot op vertrouwen dat zij niet opnieuw door justitie zouden worden vervolgd. Om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verweer niet als preliminair verweer kan worden aangemerkt, omdat de juistheid daarvan zich alleen laat beoordelen na een inhoudelijke behandeling van de zaak. In deze fase van de procedure kan niet worden vastgesteld dat evident sprake is van vervolging voor hetzelfde feit. Het verweer dient derhalve – zo begrijp het hof de advocaat-generaal – ontijdig te worden verklaard.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat er geen strijd is met het
ne bis in idem-beginsel. Daarbij is wat betreft [bedrijf 1] . naar voren gebracht dat tegen deze rechtspersoon niet eerder een strafzaak is aangebracht bij de rechter. Na een sepotbeslissing kan opnieuw worden vervolgd als sprake is van een novum. Op de inhoud daarvan zal tijdens de inhoudelijke behandeling nader worden ingegaan. Ook overigens levert onderhavige vervolging volgens de advocaat-generaal geen strijd op met het
ne bis in idem-beginsel, omdat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’. Weliswaar vallen de tenlastegelegde feiten in Kolbak en Terrel onder dezelfde overkoepelende delictsomschrijving (witwassen), maar – getoetst aan de feitelijke maatstaf – is geen sprake van hetzelfde feit, want:
- er is sprake van een andere pleegperiode. In Kolbak was dat de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006 en in Terrel de periode van 31 januari 2006 tot en met 27 juli 2023. Bovendien is met betrekking tot de panden in de tenlastelegging van Kolbak slechts het jaar 2002 genoemd;
- er is sprake van een andere witwasvariant, hetgeen voor de feitelijke beoordeling betekenis heeft:
- in Kolbak was artikel 420bis, lid 1, onder b, Sr (verwerven en/of voorhanden hebben van de panden) aan de orde, terwijl dat in Terrel artikel 420bis, lid 1, onder a Sr (verbergen en/of verhullen van de rechthebbende van die panden) is;
- er is in Terrel sprake van een andere deelnemingsvorm dan in Kolbak . [verdachte] is eerder als pleger van witwassen vervolgd in Kolbak en thans wordt hij in Terrel vervolgd als feitelijk leidinggever van witwassen door [bedrijf 1] .;
- het bestanddeel “uit misdrijf afkomstig” was in Kolbak , anders dan in Terrel , ingevuld vanuit de afpersing van [persoon 4] ; en
- de rechtspersonen zijn in Kolbak niet vervolgd.
Verder is sprake van een voortdurend (witwas)delict. [verdachte] heeft zijn (witwas)handelingen niet beëindigd, zodat de verboden gedragingen tot op de dag van vandaag voortduren. Ook daarom is het mogelijk om hem meermalen te vervolgen. Al met al is er volgens de advocaat-generaal ten aanzien van de feiten in Kolbak en Terrel een aanzienlijk verschil in de aard van de feiten en/of gedragingen, zodat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr Pro en het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
Wat ter beoordeling voorligt
Gelet op de uitkomst in het onderzoek Kolbak voor beide verdachten, de onderdelen van het gevoerde verweer en het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt, maakt het hof, strikter dan procespartijen hebben gedaan, onderscheid tussen de in de respectieve zaken te beantwoorden rechtsvragen.
In de zaak van [verdachte] , thans vervolgd in de hoedanigheid van feitelijk leidinggever, staat de vraag centraal of er, gelet op aard en inhoud van het vrijsprekend Kolbak -arrest van 3 juli 2009, in het licht van de in dat arrest beoordeelde tenlastelegging, sprake is van een herhaalde vervolging die in strijd is met het bepaalde in artikel 68, eerste lid, Sr.
In de zaak van [bedrijf 1] ., waarin het opsporingsonderzoek en de inzet van dwangmiddelen zijn geëindigd in een sepotbeslissing, dient de vraag te worden beantwoord of er andere rechtsregels dan het in de wet verankerde
ne bis in idem-beginsel zijn die aan vervolging in de weg staan.
Enkele opmerkingen over het Kolbak -arrest in de zaak [verdachte]
De tenlastelegging luidde in het onderzoek Kolbak , voor zover het om witwassen ging, als volgt:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 30 januari 2006, te Amsterdam , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer) van zijn mededader(s), op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (één of meer) voorwerpen, te weten (één of meer) van de navolgende geldbedragen en/of vermogensrechten en/of onroerend goed, verworven en/of voorhanden gehad:
A. in (april) 2003 een geldbedrag van (ongeveer) € 250.000,- (welk geldbedrag contant door [persoon 5] namens [persoon 6] aan verdachte is overhandigd), en/of
B. op of omstreeks 24 december 2002 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.200.000,- (op bankrekening [nummer] ten name van [persoon 7] met als omschrijving 'koopsom aandelen [bedrijf 3] '), en/of
C. op of omstreeks 20 februari 2003 een of meer geldbedragen tot een totaal van (ongeveer)
€ 4.000.000,- (in de vorm van één of meer overboekingen met als omschrijving (hypothecaire) lening(en) van € 1.750.000,- en/of € 2.250.000,- van [bedrijf 5] Ltd. aan [bedrijf 4] B.V.), en/of
D. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres 2] , en/of
E. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres 2] , en/of
F. in 2002 een perceel grond, gelegen aan de [adres 3] (ongenummerd) te Amsterdam (kadastrale aanduiding: Amsterdam [adres 3] ), en/of
G. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres 4] , en/of
H. in 2002 het bedrijfspand (plaatselijk bekend als:) [adres 5] , en/of
I. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres 6] , en/of
J. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres 7] , en/of
K. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres 8] , en [adres 9] ,
(telkens) zulks terwijl hij, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf.
De tenlastelegging in het onderzoek Terrel luidt dat:
[bedrijf 1] . (voorheen: [bedrijf 4] .) op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2006 tot en met 27 juli 2023 te Amsterdam , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen, althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij en/of haar mededader(s) (van) een of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):
onroerend goed, bestaande (een) uit appartementsrecht(en) met de kadastrale aanduiding:
1) [adres 10] en/of
2) [adres 4] en/of
3) [adres 8] , Amsterdam en/of
4) [adres 9] en/of
5) [adres 12] , 26 m2 (bedrijvigheid, industrie) en/of
6) [adres 2] en/of
7) [adres 2] en/of
8) [adres 6] en/of
9) [adres 7] ,
(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemd(e) voorwerp(en) was en/of genoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had
terwijl zij en/of haar/hun mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan deze verboden gedraging(en), feitelijk leiding heeft gegeven.
[bedrijf 1] is in Terrel als pleger gedagvaard.
Met het oog op de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging van [verdachte] naar aanleiding van het onderzoek Terrel zijn de volgende opmerkingen bij het Kolbak -arrest van 3 juli 2009 van belang.
De witwasverdenking, zoals verwoord in de tenlastelegging in het onderzoek Terrel , heeft betrekking op dezelfde panden als in het onderzoek Kolbak . Dat blijkt uit een vergelijking van de tenlastelegging in de beide zaken van [verdachte] .
De definitieve tenlastelegging in het onderzoek Kolbak , waarop recht is gedaan, bevatte alleen de zogeheten b-variant van artikel 420bis Sr. Dit houdt in dat het telkens ging om het verwerven en voorhanden hebben van de daarin vermelde voorwerpen door [verdachte] als (mede)pleger.
In de aanhef van de tenlastelegging in het onderzoek Kolbak is een pleegperiode van ruim vier jaren genoemd, eindigend op 30 januari 2006. Ten aanzien van de Wallenpanden is het jaartal 2002 opgenomen. Op basis van de processtukken, in het bijzonder de door de raadsman geciteerde stukken waarin verslag wordt gedaan van de behandeling van die strafzaak in eerste en tweede aanleg, is naar het oordeel van het hof maar één conclusie mogelijk. Deze luidt dat beoogd was om de verwerving in 2002 en het voorhanden hebben in de volledige pleegperiode ten laste te leggen. Het andersluidende standpunt van de advocaat-generaal, inhoudend dat [verdachte] in de zaak Kolbak indertijd slechts het witwassen van de panden gedurende een korte periode (alleen in het jaar 2002) is verweten, kan daarom niet als juist worden aanvaard. Het verdraagt zich ook niet met de stelling van het Openbaar Ministerie dat de panden sinds 2002 zijn ondergebracht in de bedrijvenstructuur van [verdachte] en dat er sinds 2002 tot en met 27 juli 2023 sprake is geweest van een voortdurend delict.
Het hof heeft in het arrest in Kolbak beoordeeld of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van, onder meer, de Wallenpanden , in de wetenschap dat deze, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf. Impliciet subsidiair was dit ten laste gelegd als schuldwitwassen. Het hof heeft overwogen dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de Wallenpanden uit afpersing afkomstig waren. Daarbij ging het in het bijzonder om de vraag of geldbedragen, die door afpersing van [persoon 6] waren verkregen, een rol zouden hebben gespeeld bij de (her)financiering van de panden. Bij die stand van zaken diende het hof, gelet op de bewoordingen van de tenlastelegging, ook te beoordelen of enige andere criminele herkomst kon worden bewezen. Ook die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord. De raadsman leest het arrest zo dat het hof heeft vastgesteld dat (de financiering van) het betrokken onroerend goed geen criminele herkomst – en aldus een legale herkomst – heeft, maar zo verstrekkend is het oordeel van het hof in Kolbak niet. Het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijs schoot volgens het hof tekort. Dat brengt met zich dat het betoog van de raadsman, voor zover het is gebaseerd op de stelling dat er in absolute zin geen sprake meer kan zijn van een voortdurend delict, wat er zij van de betekenis hiervan voor de beoordeling van zijn verweer, op een onjuiste aanname is gebaseerd.
Mag het OM [verdachte] vervolgen?
Voor de beoordeling van de vraag of de vervolging van [verdachte] strijd oplevert met het
ne bis in idem-beginsel ontleent het hof het toetsingskader aan de rechtspraak van de Hoge Raad, in het bijzonder aan het arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102). Deze rechtspraak heeft betrekking op de spiegelbeeldige situatie waarin het gaat om de toelaatbaarheid van een wijziging van de tenlastelegging gedurende het onderzoek ter terechtzitting, waarbij de maatstaf luidt dat de tenlastelegging na de wijziging ervan geen ander feit mag opleveren als bedoeld in artikel 68, eerste lid, Sr. Toegespitst op de vraag naar de toelaatbaarheid van een herhaalde vervolging luidt het toetsingskader als volgt.
De volgende gegevens dienen als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedragingen van de verdachte.
Indien de tenlasteleggingen in beide zaken niet dezelfde gedragingen beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Ad A) De juridische aard van de feiten
[verdachte] is in het onderzoek Kolbak vervolgd wegens, voor zover hier van belang, witwassen op grond van de b-variant van artikel 420bis, eerste lid, Sr. In het onderzoek Terrel wordt hij wederom vervolgd wegens witwassen, thans op basis van de a-variant van genoemd artikel. Met iets meer precisie geformuleerd: de vervolging heeft nu betrekking op het feitelijk leiding geven aan witwassen in de a-variant, gepleegd door een rechtspersoon.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van de verdediging dat dit niet leidt tot de conclusie dat de juridische aard van de feiten uiteenloopt.
Het hof komt tot eenzelfde oordeel. Het gaat zowel in het onderzoek Kolbak als in het onderzoek Terrel in de kern om een strafbaar feit waarvan de in de wet opgenomen delictsomschrijving verschillende gedragingen inhoudt die elk, in geval van bewezenverklaring, tot dezelfde kwalificatie leiden, namelijk witwassen. Ongeacht de ten laste gelegde, aan de wettelijke delictsomschrijving ontleende, gedraging of gedragingen is het strafmaximum, overigens na een tussentijdse opwaartse bijstelling door de wetgever, telkens hetzelfde. Bovendien kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het beschermde rechtsbelang ten aanzien van zowel de a- als de b-variant telkens de integriteit van het economische - en financiële verkeer is. Daarnaast gaat het in beide gevallen om het tegengaan van begunstiging van lucratieve criminaliteit.
Ad B) de gedragingen van de verdachte
Als gevolg van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het juridische criterium spitst de beoordeling zich geheel toe op de vergelijking op feitelijk niveau. In het licht van de processtukken en
het ter terechtzitting verhandelde spelen de volgende vergelijkingsfactoren een rol:
- de feitelijke betekenis van het verschil tussen de in de respectieve tenlasteleggingen verwoorde gedragingen van de verdachte;
- de hoedanigheid van [verdachte] in de tenlasteleggingen;
- de pleegperiodes die uiteenlopen;
- de intentie van het Openbaar Ministerie om in Terrel een andere criminele herkomst dan in Kolbak ter beoordeling voor te leggen.
De rechtbank heeft overwogen dat deze factoren elk afzonderlijk niet voldoende zijn om te oordelen dat de verdachte opnieuw wegens het witwassen van de Wallenpanden mocht worden vervolgd maar dat deze in onderlinge samenhang beschouwd voor dat oordeel wel een toereikende basis bieden, omdat deze factoren cumulatief maken dat er een aanzienlijk verschil is tussen de feiten in Kolbak en Terrel . De advocaat-generaal heeft zich, blijkens zijn schriftelijke aantekeningen voor de zitting van 31 maart 2026, hierbij in grote lijnen aangesloten. Op enig moment lijkt hij ook enige afstand te hebben willen nemen van het vonnis van de rechtbank en heeft hij ook gesteld, zo begrijpt het hof, dat reeds het verschil in pleegperiode voldoende grondslag biedt om een bevoegdheid voor herhaalde vervolging aan te nemen. De raadsman acht geen van deze factoren voldoende.
Het hof stelt voorop dat de door de rechtbank gehanteerde, en ook door de advocaat-generaal genoemde, maatstaf dat het moet gaan om een ‘aanzienlijk verschil’ als zelfstandig criterium geen steun in het recht vindt. Zoals hiervoor overwogen, dient, bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro, acht te worden geslagen op zowel de juridische aard van de feiten als de gedragingen van de verdachte. Hoewel verschillen ten aanzien van de door de rechtbank genoemde aspecten in de ten laste gelegde feitelijke gedragingen van de verdachte een rol spelen als wegingsfactor bij de vraag of er sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro, kunnen deze als zodanig geen toereikende basis bieden voor de te verrichten beoordeling in het kader van artikel 68 Sr Pro. De beoordeling dient uit te monden in de ondubbelzinnige conclusie dat de te vergelijken feiten, die grond vormen voor de eerste respectievelijk de tweede vervolging, niet dezelfde zijn, waarbij – zoals al overwogen – de juridische en de feitelijke component beide in die beoordeling zijn betrokken.
De tenlastelegging in de strafzaak van [verdachte] heeft betrekking op hetzelfde onroerend goed als de tenlastelegging op basis waarvan hij is vervolgd in het kader van het onderzoek Kolbak . Dit leidt al direct tot de betekenisvolle vaststelling dat, voor zover het gaat om de objecten van het witwassen, bezien in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de juridische aard van de feiten, er geen enkel aanknopingspunt is voor het oordeel dat sprake is van vervolging wegens een ander feit. De overige door het Openbaar Ministerie genoemde aspecten zouden dan alsnog voldoende gewicht in de schaal moeten leggen om die conclusie wel te dragen.
[verdachte] zou zich volgens de huidige tenlastelegging schuldig hebben gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan witwassen van de Wallenpanden door [bedrijf 1] . Dit witwassen, gepleegd door de vennootschap, zou tot uitdrukking zijn gekomen in verhullingshandelingen. Het hof herhaalt hier de opmerking dat deze verhullingshandelingen blijkens de tenlastelegging zouden zijn gepleegd door de vennootschap en niet als zodanig aan [verdachte] als pleger zijn ten laste gelegd. Ter beoordeling staat daarom of er in de sleutel van artikel 68 Sr Pro relevantie toekomt aan het verschil tussen het (mede)plegen van het verwerven en/of voorhanden hebben van de Wallenpanden enerzijds, zoals tenlastegelegd in Kolbak , en het feitelijk leidinggeven aan verhullingshandelingen met betrekking tot die panden, gepleegd door de eigenaar van de panden, [bedrijf 1] ., zoals ten laste gelegde in Terrel , anderzijds. Reeds uit het arrest van het hof in Kolbak kan worden opgemaakt dat het daaraan voorafgegane debat is gegaan over de vraag of de aanschaf van de panden, waarvan [verdachte] middellijk eigenaar was (geworden), in enig stadium van de keten van aan- en verkoop van die panden met crimineel geld was gefinancierd. Met andere woorden, ook hier was de centrale kwestie of de onderwereld met strafbare betrokkenheid van [verdachte] als “stroman”, op basis van diens feitelijke gedragingen, die in Kolbak en Terrel niet als onderling verschillend zijn gepresenteerd door het Openbaar Ministerie, op niet traceerbare wijze financieel voet aan de grond had gekregen in de bovenwereld. Daar doet de keuze van de officier van justitie om in Kolbak de b-variant (het verwerven en voorhanden hebben van de panden) ten laste te leggen niet aan af.
In beide tenlasteleggingen is voorts een sleutelrol aan [verdachte] toebedeeld. Het spreekt voor zich dat bij de
beoordeling van de tenlastelegging in Terrel allereerst het bewijs voor het daderschap van [bedrijf 1]
. aan de orde komt, maar wat betreft de positie van [verdachte] levert dit geen significant verschil op. [verdachte] is via zijn beheersvennootschap [bedrijf 2] . enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . Er is gesteld noch gebleken dat andere personen een vorm van betrokkenheid bij [bedrijf 1] . hebben gehad, die voor beoordeling van de tenlastelegging betekenis zou kunnen hebben. Waar het gaat om subjectieve bestanddelen als wetenschap, opzet en schuld is er een wezenlijke overeenkomst tussen de verdenking in het onderzoek Kolbak en die in het onderzoek Terrel . De beoordeling van de tenlastelegging zal zich, mede om die reden, langs dezelfde lijnen bewegen als bij de Kolbak -tenlastelegging. Er wordt [verdachte] dus ook in zoverre geen ander verwijt gemaakt.
De tenlastelegging die is gebaseerd op het onderzoek Terrel bestrijkt een lange pleegperiode, te weten ruim zeventien jaren, en vertoont geen overlap met de pleegperiode in de tenlastelegging in het onderzoek Kolbak . Daaraan zou onder omstandigheden, geïsoleerd beschouwd, betekenis kunnen toekomen voor de beoordeling of sprake is van een ander feit dan dat waarvoor in het onderzoek Kolbak is vervolgd. Het is namelijk een zeer substantiële uitbreiding. Over beperktere uitbreidingen van een pleegperiode, soms met enkele jaren, wordt in rechterlijke beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging doorgaans geoordeeld dat nog steeds sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro.
Ten aanzien van [verdachte] is echter van belang dat de strafrechter in het Kolbak -arrest een onherroepelijk oordeel heeft gegeven over een essentieel bestanddeel van de delictsomschrijving, namelijk de criminele herkomst van de vermogensbestanddelen die in de tenlastelegging in het onderzoek Terrel tegen [verdachte] opnieuw centraal staan. Het arrest van het hof in Kolbak houdt onder meer in dat niet bewezen werd geacht dat de Wallenpanden , die door [verdachte] in 2002 waren verworven, een criminele herkomst hadden. Evenmin was (mede als gevolg van de deelvrijspraak voor het witwassen van de hypothecaire geldlening van [bedrijf 5] Ltd., waarin [persoon 8] een centrale rol had) volgens het hof bewezen dat de aanschaf van deze panden was gefinancierd met gelden die door enig ander misdrijf waren verkregen. Dat rechtens onaantastbare oordeel moet leiden tot een zeer aanzienlijke relativering van het gewicht dat de lange pleegperiode in het onderzoek Terrel in de schaal legt. Met betrekking tot het, door het Openbaar Ministerie als “voortdurend” gekarakteriseerde, strafbare bezit van en handelen met de Wallenpanden , is het criminele karakter door de rechter immers in algemene zin niet bewezen geacht.
Bij die stand van zaken is de laatste bouwsteen van het standpunt van het Openbaar Ministerie aan de orde. Met de tenlastelegging in het onderzoek Terrel is beoogd om [verdachte] te vervolgen wegens het witwassen van losgeld dat [persoon 9] en enkele anderen hebben ontvangen na de ontvoering van [persoon 10] in 1983. Hoewel de tenlastelegging deze criminele herkomst niet noemt (zij vermeldt slechts “enig misdrijf”) moet dit uit de gegeven toelichting worden begrepen. Het hof heeft in het voorgaande aandacht besteed aan de reikwijdte van de vrijspraak, zoals gegeven in het arrest Kolbak . In het bijzonder waar het de bewijsbeslissing betreft ten aanzien van de criminele herkomst van (de financiering van) de Wallenpanden . De redactie van de huidige tenlastelegging in Terrel , noch de daarop gegeven toelichting, biedt een tastbaar aanknopingspunt voor het oordeel dat het hier een vervolging betreft die betrekking heeft op een ander feit dan dat waarover door de strafrechter in dat arrest reeds onherroepelijk is beslist.
Tot slot verdient opmerking dat de kern van het delict witwassen is dat criminele opbrengsten aan het zicht worden onttrokken. De rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie-uitsluitingsgrond is op dat karakter van het misdrijf gebaseerd. In dat licht bezien, is het standpunt van het Openbaar Ministerie dat met de tenlastelegging van de a-variant op relevante wijze andere gedragingen ten laste worden gelegd betrekkelijk cosmetisch. In zoverre kan het betoog van de advocaat-generaal dat onder meer inhoudt dat, getoetst aan het juridische criterium, er geen sprake is van een ander feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro, niet los worden gezien van de beoordeling van de feitelijke aspecten.
Indien en voor zover de advocaat-generaal zich bij de vormgeving van zijn standpunt heeft laten leiden door de aanwezigheid van nieuwe resultaten van onderzoek (zogeheten nova), merkt het hof op dat deze naar hun aard niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de
ne bis in idem-kwestie. Zij kunnen er als zodanig niet toe leiden dat de maatstaf van artikel 68, eerste lid, Sr een andere invulling krijgt.
De slotsom dient dan ook te zijn dat de vervolging van [verdachte] in strijd is met het
ne bis in idem-beginsel
als bedoeld in artikel 68, eerste lid, Sr. Het Openbaar Ministerie is daarin niet-ontvankelijk.
Mag het OM [bedrijf 1] . vervolgen?
[bedrijf 1] . heeft als bestuurder en enig aandeelhouder [bedrijf 2] .
[verdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] ., met als titel algemeen directeur. De rechtsvoorgangers van de vennootschappen hadden gedurende een deel van de pleegperiode (iets) andere namen, maar in de structuur en de eigendomsverhoudingen zijn in die tijd geen relevante veranderingen aangebracht.
Uit de door partijen ingenomen standpunten maakt het hof op dat het indertijd in Kolbak verrichte opsporingsonderzoek tegen [bedrijf 1] . betrekking had op de panden die nu vermeld zijn in de tenlastelegging van [bedrijf 1] . in Terrel . De tenlastelegging heeft dus exact hetzelfde object als de in 2011 genomen sepotbeslissing.
Het hof overweegt dat er geen rechtsregel is die het de officier van justitie in algemene en absolute zin verbiedt om na een vrijspraak in de strafzaak van een natuurlijke persoon wegens een min of meer identieke verdenking tot vervolging over te gaan van de rechtspersoon waar die natuurlijke persoon in meer of mindere mate betrokkenheid bij heeft. In de onderhavige strafzaak van [bedrijf 1] . staat evenwel slechts één natuurlijke persoon in het hart van de belangstelling, namelijk [verdachte] . Hij wordt als enige persoon rechtstreeks getroffen door deze vervolging. Over het doel dat het Openbaar Ministerie met deze vervolging heeft, bestaat geen misverstand: het gaat primair om de verbeurdverklaring van de Wallenpanden, waarmee met name [verdachte] zal worden getroffen in zijn vermogen.
Het hof maakt uit de processtukken op dat de verdenking die het Openbaar Ministerie jegens [verdachte] en diens bedrijven, vanwege diverse vertakkingen en geldstromen, verder heeft opgebouwd, niet is weggenomen, zulks ondanks het feit dat de strafrechter in 2009 onherroepelijk heeft geoordeeld dat er binnen dat weefsel van bedrijven, voor zover het de Wallenpanden betreft, geen witwasconstructie kon worden vastgesteld.
Tegen die achtergrond krijgt de vrijspraak van [verdachte] in het onderzoek Kolbak betekenis voor de beoordeling van de huidige vervolging van [bedrijf 1] .
De beslissing van het hof in het onderzoek Kolbak steunt volledig op de vaststelling dat er onvoldoende bewijs was geleverd voor enige vorm van criminele financiering van de Wallenpanden . Die vrijspraak heeft betrekking op [verdachte] persoonlijk omdat hij als natuurlijk persoon werd vervolgd. Maar er was een opsporingsonderzoek aan voorafgegaan waarin al was vastgesteld dat de panden in een aantal stappen waren ondergebracht in de bedrijvenstructuur van [verdachte] . Dat kan niet alleen worden begrepen op grond van de citaten uit het in eerste aanleg en in hoger beroep gehouden requisitoir in Kolbak , die de raadsman in zijn schriftelijk standpunt (als bijlage gevoegd bij zijn pleitnotities) heeft opgenomen, maar ook uit de tenlastelegging in Kolbak waarin [verdachte] werd verdacht van het witwassen van aan de rechtsvoorganger van [bedrijf 1] . ( [bedrijf 4] .) verstrekte hypothecaire geldleningen, kennelijk bestemd voor de financiering van de Wallenpanden . Met die bedrijven dient [verdachte] wat de strafrechtelijke verwijtbaarheid betreft, gelet op de eigendomsstructuur en de zeggenschapsverhoudingen, in aanzienlijke mate te worden vereenzelvigd.
Zoals eerder in dit arrest overwogen, stuit het recht van de officier van justitie om over te gaan tot de herhaalde vervolging van [verdachte] zelf af op het
ne bis in idem-beginsel. Daar komt bij dat het onderzoek Kolbak voor [verdachte] is geëindigd in een arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat een onrechtmatige toestand zoals omschreven in de tenlastelegging niet kon worden bewezen. De vennootschap hoefde in dat oordeel van de strafrechter in elk geval geen aanleiding te zien om veranderingen van enigerlei aard aan te brengen.
Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof tot de slotsom dat de vervolging
van [bedrijf 1] . in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder
met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De nova waarvoor de advocaat-generaal aandacht heeft gevraagd, kunnen, wat er zij van de inhoudelijke betekenis ervan, het voorgaande niet anders maken.
Het Openbaar Ministerie is, ook wat betreft de verdachte [bedrijf 1] ., niet-ontvankelijk in de vervolging.
Ontijdig?
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verweren van de verdediging ontijdig zijn en pas na een volledig onderzoek ter terechtzitting door het hof kunnen worden beoordeeld. De raadsman heeft dit betwist. Het hof overweegt dat de beoordeling van een preliminair verweer primair plaatsvindt op basis van de reeds beschikbare stukken en ingebrachte standpunten. Pas als het hof die ontoereikend acht voor de beoordeling, wordt het onderzoek in de zaak voortgezet. De advocaat-generaal heeft gesteld dat er op een later moment, bijvoorbeeld bij requisitoir, op nova zal worden gewezen. Niet valt in te zien dat dit in de prealabele fase niet mogelijk zou zijn, zeker omdat het een behandeling in tweede feitelijke instantie betreft. Bovendien blijkt uit de hiervoor uiteengezette overwegingen dat eventuele nova geen contra-indicatie in de zin van artikel 283, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voor een onmiddellijke beoordeling vormen. Het preliminaire verweer kon in deze zaken worden gevoerd en beoordeeld op basis van een vergelijking van de tenlasteleggingen in de relevante zaken, de reeds beschikbare resultaten van opsporing en de standpunten van de raadsman en de advocaat-generaal.
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsman heeft enkele voorwaardelijke verzoeken gedaan, in de kern erop neerkomend dat het hof prejudiciële vragen zal stellen aan het Hof van Justitie EU. Het hof zal in het midden laten het antwoord op de vraag of het stellen van prejudiciële vragen op de wijze zoals gesuggereerd door de raadsman zich verdraagt met het preliminaire stadium waarin de zaken van de verdachten zich bevinden.
Eén van de, niet alledaags geredigeerde, voorwaarden luidt: “voor zover uw hof op een bepaald punt nog een laatste beetje mocht twijfelen”. Uit voorgaande overwegingen mag blijken dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. De overige voorwaarden hebben betrekking op kwesties die verband houden met de toepassing van het Unierecht. Die acht het hof niet aan de orde. Er hoeft derhalve niet op de verzoeken te worden beslist.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.M. Steinhaus en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 mei 2026.
[…]